Op 16 juni 2018 is een nieuwe versie van Berghapedia geïnstalleerd. Eventuele problemen a.u.b. hier melden.

Rooijen, Marinus Adrianus van

Uit Berghapedia
Ga naar: navigatie, zoeken

Deze pagina vertelt het verhaal van Marinus van Rooijen, die van 1933 tot zijn dood in 1942 kapelaan was in 's-Heerenberg. Hij stierf in het concentratiekamp Dachau.

Zijn jeugd

Kapelaan Van Rooijen.jpg

Marinus van Rooijen werd op 21oktober 1897 geboren op de boerderij "De Steenen Poort" bij Houten in Utrecht. Hij was het derde van de vijf kinderen van Gerardus Franciscus van Rooijen en Cornelia Ebskamp. Zijn moeder stierf in 1900 bij de geboorte van haar vijfde kind, waarna zijn vader in 1907 hertrouwde met Johanna Zomer. Uit dit huwelijk werden nog eens zes kinderen geboren. Marinus' vader overleed in 1930.

Als Marinus, of Ries zoals hij thuis werd genoemd, het in zijn latere leven over zijn moeder had, dan bedoelde hij vaak zijn stiefmoeder. Zij woonde op "De Steenen Poort" tot mei 1940, toen haar jongste zoon Gert (Marinus' jongste halfbroer) ging trouwen. Daarna woonde ze in Houten bij haar zoon Kees en zijn vrouw Anny. Als Marinus vanaf 1940 een brief naar huis schreef, was die zodoende gericht aan moeder, Anny en Kees.

Studies en priesterjaren

Seminarie, Beltrum en Keyenborg

Uit dagblad Het Centrum van vrijdag 22 augustus 1924

Na de lagere school ging Van Rooijen naar het kleinseminarie in Culemborg en vervolgens naar het naar het grootseminarie Rijsenburg in Driebergen. Daar was hij bevriend met zijn klasgenoot Bernardus Alfrink, de latere aartsbisschop van Utrecht. In de zomervakanties kwam Alfrink steeds een paar weken logeren op "De Steenen Poort".

Van Rooijen werd priester gewijd op vrijdag 15 augustus 1924. De woensdag daarop, 20 augustus, droeg hij zijn eerste Heilige Mis op in zijn geboorteplaats Houten. Vervolgens was hij van 12 september 1924 tot 23 augustus 1927 kapelaan in Beltrum en daarna tot 13 januari 1933 in Keijenborg. Zijn pastoor daar was Th.J.J. Thuis, die eerder kapelaan was geweest in Zeddam.

's-Heerenberg

MvR 12-5 priesterfeest-kl.jpg
Op 13 januari 1933 werd Van Rooijen assistent in de Sint Pancratiusparochie in 's-Heerenberg en op 7 oktober van dat jaar kapelaan als opvolger van kapelaan Terpstra. Hij diende onder pastoor Galama.

Behalve kapelaan Terpstra heeft Van Rooijen in 's-Heerenberg nog zes collega-kapelaans gehad, namelijk Graafsma (tot 1932), Tutert (tot 1935), Kloppenburg (1933-1937), De Meij (1933-1939), Visser (1939-1940) en Hegge (vanaf 1940).

Al in Keijenborg had de aartsbisschop van Utrecht kapelaan Van Rooijen benoemd tot sportadviseur van de Afdeling Oost-Gelderland van de Diocesane Utrechtsche Voetbalbond. In die functie heeft Van Rooijen heel veel gedaan voor de ontwikkeling van de voetbalsport en van sport in het algemeen. In 1929, dus nog voor zijn komst naar 's-Heerenberg, heeft hij pastoor Peters van Beek er bij de oprichting van R.K.B.V.C (Rooms-Katholieke Beekse Voetbalclub, de voorloper van R.K.S.V. 't Peeske) van kunnen overtuigen dat de jongens best in korte broek mochten voetballen. De pastoor vond dat eigenlijk maar niks.

Onvermoeibaar toerde hij voor zijn werk de hele Achterhoek door; eerst op de fiets of meerijdend in een auto en later op z'n eigen motor. Toen hij in 's-Heerenberg werd benoemd, was zijn roem hem al vooruitgegaan. "We krijgen een voetbal-kapelaan", zei de jeugd, terwijl hij bij de ouderen al een naam had als jeugdleider.

Mede in zijn werk voor de sport kon Van Rooijen zich uiten als een wellicht wat impulsieve, maar altijd opgewekte man die anderen steeds weer wist te stimuleren en motiveren om mee te doen. Ook was hij heel vrijgevig en heeft veel voor de armenzorg gedaan.

Hij was ook actief bij de R.K Middenstandsvereniging St. Martinus.

De 's-Heerenbergse geestelijken met onderwijzend personeel uit de stad. Zittend uiterst links kapelaan Kloppenburg, daarnaast kapelaan Van Rooijen en zittend tweede van rechts pastoor Galama.


De Tweede Wereldoorlog

Gearresteerd

In de Tweede Wereldoorlog liet kapelaan Van Rooijen, net als pastoor Galama en kapelaan Hegge, duidelijk blijken dat hij de Nazi-leer afwees. Dit zinde de plaatselijke NSB'ers niet, en zij zochten naar een aanleiding om de drie geestelijken te laten oppakken.

Die kregen zij toen Van Rooijen en zijn collega's tijdens de kerkdiensten van zondag 3 augustus 1941 een brief van de Nederlandse bisschoppen voorlazen. In deze brief, gedateerd 25 juli 1941, protesteerden de bisschoppen tegen een reeks van Duitse maatregelen die de greep van de NSB op het openbare leven versterkten. Bovendien had Van Rooijen samen met Hegge de brief gestencild en in de parochie laten verspreiden.

Hierop waarschuwden de 's-Heerenbergse NSB'ers de Gestapo in Emmerik, wat leidde tot de arrestatie van pastoor Galama op 4 augustus 1941 en de kapelaans Van Rooijen en Hegge op de dag daarna. Hoe dit is gebeurd, staat beschreven bij de arrestatie van pastoor Galama. Zoals daar vermeld wordt, was Van Rooijen op de ochtend van 4 augustus op de fiets naar Elst gegaan. Hij had nog getwijfeld of hij dit wel zou doen, want de vorige avond was de Gestapo langs geweest bij jongens die de gestencilde bisschopsbrief huis-aan-huis bij de parochianen in de bus hadden gedaan. Misschien was het daarom beter thuis te blijven, zo dacht hij, maar pastoor Galama had gezegd dat hij gerust kon gaan. Nog maar net in Elst aangekomen werd hij vanuit 's-Heerenberg opgebeld. Hij hoorde dat het mis was en is toen meteen teruggefietst.

De volgende dag is hij met kapelaan Hegge naar Arnhem gereisd, waar zij eerst naar de Eusebiuskerk zijn gegaan om te bidden. Toen zij zich daarna meldden bij de Sicherheitsdienst, werden ze meteen gearresteerd. De aanklacht die ze in het proces-verbaal te horen kregen, luidde: "Haben deutschfeindlichen Brief verbreitet und das Volk deutschfeindlich beeinflußt".

Pastoor Galama werd via een gevangenbewaarder direct op de hoogte gebracht van de arrestatie van zijn kapelaans. Zijn reactie was: "Ze weten wat ze te zeggen hebben, ik alleen ben verantwoordelijk."

Gevangenschap in Arnhem

Kapelaan Van Rooijen werd opgesloten in cel no. 30. Hij hield daar een dagboek bij, geschreven in de derde persoon, waarin hij zichzelf "no. 30" noemde. Kapelaan M.A. van Rooijen had voor hemzelf toen al opgehouden te bestaan.

De volgende dag werd hij samen met kapelaan Hegge overgebracht naar het gebouw van de Sicherheitsdienst aan de Utrechtsestraat om een proces-verbaal te ondertekenen. Na de ondertekening heeft hij samen met Hegge een paar uur (een paar gezellige uurtjes, zoals hij zelf schreef) opgesloten gezeten in een cel in het SD-gebouw. Verder is hij net als zijn collega's zonder vorm van proces vastgehouden.

De detentie van kapelaan Van Rooijen in Arnhem verliep ongeveer zoals die van pastoor Galama. Op zich was het niet al te zwaar, omdat hij voldoende te eten kreeg en niet hoefde te werken.

In Arnhem heeft Van Rooijen tien brieven geschreven, waarvan zes aan pater Wouters en vier aan zijn moeder, broer en schoonzus in Houten. Van Rooijen verdeelde zijn aandacht dus, anders dan pastoor Galama, tussen 's-Heerenberg en zijn familie. Inhoudelijk konden deze brieven natuurlijk niet te diepgaand zijn, zodat ze vooral over praktische zaken gingen en vragen naar hoe het gaat. Het nieuws dat zijn klas aan de beurt was om pastoor te worden, vond hij erg spannend. Hij vroeg wíé er al pastoor waren geworden.

Acht van de tien brieven zijn reguliere brieven zoals die op zondag geschreven mochten worden, maar de eerste twee brieven, een naar elk adres, zijn al op 6 augustus geschreven, de dag na de arrestatie. Van pastoor Galama is geen brief bekend die hij kort na zijn arrestatie heeft geschreven. Mogelijk vond de Sicherheitsdienst dat overbodig, omdat Galama al bij zijn vertrek uit 's-Heerenberg geen vrij man meer was.

Er is nog een elfde brief die Van Rooijen in Arnhem schreef, gedateerd 8 september 1941. Hierin vroeg hij de Sicherheitsdienst toestemming in de gevangeniskapel de Heilige Mis te mogen lezen. Met een rood potlood is hierop schreven: Nein! Gefangenen-Seelsorge wird lediglich durch den Anstalt-Geistlichen ausgeübt."

Gevangenschap in Sachsenhausen

Op 9 oktober 1941 kregen Van Rooijen en Hegge het bevel zich gereed te houden voor transport. Twee dagen later was het zover voor Van Rooijen. Hij werd overgebracht naar het politiebureau in Emmerik, waar hij in een cel werd opgesloten. Het nieuws dat de kapelaan weg was uit Arnhem, bereikte 's-Heerenberg diezelfde dag nog, nadat Van Rooijen toevallig door een 's-Heerenbergenaar was gezien op het station in Emmerik.

Van Rooijen is tot 23 oktober vastgehouden in Emmerik en werd toen op transport gesteld naar het concentratiekamp Sachsenhausen in Oranienburg bij Berlijn. Uit een bewaard gebleven rekening blijkt dat Van Rooijen zijn verblijf in Emmerik zelf heeft moeten betalen. Hij had 19 gulden en 96½ cent op zak, zijnde 26,48 Rijksmark. Hiervan bleef 1,86 Rijksmark over, die hem naar Sachsenhausen werden nagestuurd.

Twee dagen na vertrek uit Emmerik, op 25 oktober 1941, kwam Van Rooijen aan in Sachsenhausen. Het leven in dit concentratiekamp was vergelijkbaar met dat in het concentratiekamp Dachau, met als verschil dat de gevangenen in Sachsenhausen al in 1941 pakketten mochten ontvangen. Dit was het resultaat van bemiddeling door een Zweedse diplomaat.

Het heeft lang geduurd voor men in 's-Heerenberg wist waar kapelaan Van Rooijen gevangen zat. Nadat hij op 11 oktober op het station in Emmerik was gezien, kwam pas op 27 november zijn eerste brief uit Sachsenhausen binnen, gedateerd 16 november en gericht aan zijn familie in Houten. Hij schreef dat hij elke maand 15 Rijksmark en twee kilo levensmiddelen en rookwaren mocht ontvangen. Hij mocht niet om iets bepaalds vragen, maar kon toch in bedekte termen aangeven dat hij graag zijn wollen muts en handschoenen wilde hebben, die nog in 's-Heerenberg lagen. Die zijn per omgaande toegestuurd, samen met kaas, worst en tien sigaren.

Vanuit Sachsenhausen heeft Van Rooijen vijf brieven geschreven, allemaal gericht aan zijn familie in Houten. Hij had best naar 's-Heerenberg willen schrijven, maar de regels waren dat er met maar één adres gecorrespondeerd mocht worden.

Gevangenschap in Dachau

Op 2 februari 1942 werd Van Rooijen in Sachsenhausen op transport gesteld naar Dachau, waar hij op 13 februari aankwam. Net als pastoor Galama kwam hij in barak no. 28 terecht, maar in een andere afdeling. Hij was er gevangene nummer 29230. Pas op 8 maart kreeg hij een kans pastoor Galama te spreken, op een moment dat deze juist een brief had geschreven. Van Rooijen kon er in een P.S. eigenhandig aan toevoegen dat hij hoopte spoedig met de pastoor naar huis te kunnen terugkeren. Zelf heeft de kapelaan vanuit Dachau vijf brieven verstuurd; de eerste zonder datum, de laatste van 13 juni 1942, slechts drie dagen voor zijn dood.

In Dachau viel Van Rooijen op door zijn niet aflatende optimisme. Hij deed ook alles wat hij kon om anderen op te beuren. Hij werkte op een plantage waar onder meer geneeskrachtige kruiden voor de SS werden verbouwd. Hij bracht dan vaak stiekem iets eetbaars mee terug om aan zwakkere medegevangenen te geven. Het waren slechts kleinigheden, maar hij genoot ervan anderen op deze manier te kunnen helpen.

Het werk op de plantage was op zich niet zwaar, maar wie nauwelijks te eten krijgt en twaalf uur onkruid moet wieden, heeft het niet makkelijk. Van Rooijen keerde aan het eind van de dag dan ook uitgeput in het kamp terug. Hierbij kwam nog de zware lichamelijke (en geestelijke) klap die hij in de Goede Week van 1942 te verwerken hadden gekregen. Bij een Poolse priester was illegaal geld gevonden, en daar moesten de barakken 28 en 30 voor boeten. De gevangenen hebben toen van Palmzondag tot en met Tweede Paasdag (29 maart - 6 april) voor straf elke dag de hele dag over de appèlplaats moeten marcheren onder het zingen van SS-liederen. Ongeveer zestig man die te zwak waren, waaronder pastoor Galama, hebben toen de hele dag op de appèlplaats moeten staan. Het was koud, met regen en wind, zodat deze straf een ware aanslag was op de gezondheid van allen.

Op het laatst kón kapelaan Van Rooijen gewoon niet meer. Hij kreeg toen van een medegevangene de raad bij het appèl zogenaamd bewusteloos neer te vallen, zodat hij naar de ziekenbarak gebracht kon worden. Hij deed dit en werd door vier medegevangenen weggedragen, maar vlak bij de ziekenbarak wilde hij toch weer zelf lopen. Hij werd niet toegelaten, want "als alle zwakken moesten worden opgenomen, konden we het hele kamp wel opnemen", werd hem gezegd. Hij kreeg nog een trap na om sneller te verdwijnen.

Een paar dagen later is hij écht bewusteloos neergevallen. Hij werd naar de ziekenbarak gebracht en overleed daar kort na binnenkomst. Dat was op 16 juni 1942. Een Nederlandse priester heeft hem nog de absolutie kunnen geven (vergiffenis van zonden). Een andere Nederlander was bij het crematorium aan het werk toen Van Rooijens lichaam daar aankwam. Hij heeft toen in stilte alle gebeden voor de overledenen gebeden en gezongen die hij uit zijn hoofd kende. Op die manier heeft kapelaan Van Rooijen toch nog enigszins een christelijke begrafenis gehad.

Nog geen twee weken later wisten zijn parochianen van zijn dood, want op 26 juni werd pater Wouters bij de Sicherheitsdienst in Arnhem ontboden. Daar werd hem het volgende telegram voorgelezen: Kaplan Van Rooyen ist am 16. Juni um 9 Uhr an Versagen von Herz und Kreislauf bei Darmkatarrh gestorben. Daarna werd hem de tekst van het overlijdenstelegram van pastoor Galama voorgelezen.

Aan pater Wouters viel toen de zware taak toe het nieuws over te brengen aan de 's-Heerenbergse gemeenschap en de rest van Bergh. Op zondag 28 juni heeft hij het nieuws vanaf de preekstoel bekend gemaakt. In het parochiedagboek staat: 't Is alsof de muren der Kerk in elkaar schuiven. Een waar gejammer, een lange snikrilling stijgt op uit de dichtbezette banken. Nu weten het de mensen. Op 30 juni werd er een requiemmis voor de twee overledenen gelezen. Opnieuw was de kerk overvol.

Na Van Rooijens dood kreeg 's-Heerenberg op 2 augustus 1942 een nieuwe kapelaan in de persoon van J.H. Janning.

Het overlijden van kapelaan Van Rooijen was al na tien dagen bekend in Bergh, maar de gemeente Dachau heeft pas op 15 augustus 1946, dus na de oorlog, een Sterbeurkunde opgemaakt. Wanneer die in Bergh is ontvangen, is niet bekend, maar mogelijk was dit geruime tijd later. Pas op 20 augustus 1947 werd in Bergh een overlijdensakte opgemaakt.

Vermelding van het overlijden van pastoor Galama en kapelaan Van Rooijen in het Dagblad van Noord-Branbant van 30 juni 1942
De Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant van 1 juli 1942 vermeldde de dood van kapelaan Van Rooijen, maar niet die van pastoor Galama.
De Sterbeurkunde die de gemeente Dachau op 15 augustus 1946 voor kapelaan Van Rooijen heeft opgemaakt.
Klik op de afbeeldingen voor een vergroting.

Ter nagedachtenis

Oorlogsslachtoffer

Kapelaan Van Rooijens as ligt nu begraven op het Nederlandse ereveld in Frankfurt am Main, in graf 6 van de eerste rij van vak H. Dit ereveld is onderdeel van het Waldfriedhof in het stadsdeel Frankfurt-Oberrad. Er liggen 756 Nederlanders begraven, die in Zuid-Duitsland zijn omgekomen.

Ook staat zijn naam in de Erelijst van gevallenen 1940-1945.

Het bidprentje van Kapelaan van Rooijen
De vermelding van kapelaan Van Rooijen op blz. 1018 in de Erelijst van gevallenen 1940-1945

MvR

Toen na de oorlog de Rooms-Katholieke Berghse Voetbalvereniging (RKBVV) werd heropgericht, werd de naam op voorstel van pastoor Horsthuis veranderd in MvR: Marinus van Rooijen.

Herdenkingskapel in 's-Heerenberg

Achter in de Pancratiuskerk in 's-Heerenberg is een permanente kleine expositie gewijd aan de omgekomen kapelaan Van Rooijen en zijn pastoor Galama. Deze kapel is vijftig jaar na hun overlijden, op 28 juni 1992, ingewijd door de aartsbisschop van Utrecht, kardinaal Simonis.

Kerkramen in 's-Heerenberg

In 1947, bij het gouden jubileum van de Pancratiuskerk, kreeg de parochie een som geld cadeau. Hiervoor heeft de glazenier Alex Asperslagh een glas-in-loodraam gemaakt, waarin de arrestatie van Van Rooijen en Galama wordt uitgebeeld.

Op de site van de Heemkundekring Bergh staat een afbeelding van dit raam.

Kerkraam in Kilder

Al in 1946 werd het eerste monument ter herinnering aan Van Rooijen en Galama onthuld. Het is een glas-in-loodraam in de St. Jan de Doperkerk in Kilder, dat zich bevindt aan de zuidkant naast de toren. Het is een van de tien ramen die dat jaar werden onthuld ter gelegenheid van het zilveren priesterfeest van de Kilderse pastoor Van Weerdenburg. Ze zijn gemaakt door pater Randag.

Op de site van de Heemkundekring Bergh staat een afbeelding van dit raam.

Oorlogsmonument in 's-Heerenberg

Op 12 december 1948 onthulde kardinaal De Jong, een studiegenoot van pastoor Galama, het oorlogsmonument in 's-Heerenberg.

Op dit monument staan alle (op dat moment bekende) Berghse Oorlogsslachtoffers vermeld. Kapelaan Van Rooijen en pastoor Galama worden hierop elk met een portret met onderschrift herdacht.

Straat

De Van Rooijenstraat in 's-Heerenberg is naar kapelaan Van Rooijen vernoemd.

Bronnen

De voornaamste bronnen voor het bovenstaande zijn:

Anderen bronnen zijn: