Bijdragen aan Berghapedia? Kijk hier voor Hulp bij aanmelden

Brand Huis Bergh 1735

Uit Berghapedia
Ga naar: navigatie, zoeken

Huis Bergh is twee keer afgebrand; in 1735 en in 1939. Over de brand in 1735 verscheen in de De Graafschapbode van 17 augustus 1934 het onderstaande anonieme artikel. De spelling van destijds is gehandhaafd.

Na de brand werd direct begonnen met de herbouw. Er kwam een rondlopend dak en de ramen werden vervangen door schuifvensters, die meer licht binnenlieten. Na het herstel was vorstin-weduwe Johanna van Montfort, de grootmoeder van Johan Baptist van Hohenzollern-Bergh (de Dolle Graaf), waarschijnlijk het laatste lid van de grafelijke familie dat nog op Huis Bergh heeft gewoond. Daarna is het kasteel voor meerdere doeleinden gebruikt tot het in 1912 werd gekocht door Jan Herman van Heek.


Van den grooten brand op het Kasteel Bergh in 1735

Toevalligerwijze mocht ik eenigen tijd geleden de hand leggen op een zilveren beker, waarvan de afbeelding hierbij gaat. Een door den heraldicus den heer Musschart ingesteld onderzoek wees uit, dat de op den beker gegraveerde familiewapens zijn van de geslachten Eppelen en van Bach, liet laatste met een ?
Het jaartal wees uit, dat deze beker eenmaal behoord moest hebben aan Frans Anthoon Eppelen van Rayhoff. De sinistere verhalen omtrent dezen sinjeur die in het 's-Heerenbergsche nog voortleven, waren oorzaak dat deze kleine studie thans het licht kan zien, waarbij ik mijn hartelijken dank uitspreek aan den heer Mr. van Schilfgaarde, werkzaam aan het Rijksarchief te Arnhem, voor de daarbij mij verleende hulp.
Wat de beker zelf betreft en het daarop vermelde jaartal, heeft een onderzoek in 't archief van het Jansgilde te 's-Heerenberg uitgewezen, dat deze een geschenk is geweest, bij het huwelijk van bovenvermelden F. A. Eppelen op den I7en Febr. 1732 aan het St. Jansgilde bovengenoemd.
Toen Albert Oswald Frans, (bekend als Oswald III) grave van den Bergh den 20sten Juni 1712 op het Huis Bergh voorgoed de oogen sloot, stierf met hem het tweede huis Bergh, gesproten uit, het geslacht van der Lecq uit. Het had bijna 300 jaar over het Graafschap Bergh geregeerd.
Hij werd in de Kerk te Boxmeer bij zijne vaderen bijgezet, waar een grafmonument van Xavéry voor hem en zijn gemalin opgericht, dit heiligdom nog immer siert. Hij was een échte Grand Seigneur geweest, die het slot Bergh verbouwd en zeer luxueus ingericht heeft. Voor de verfraaiing van het kasteel en den onmiddelijken omtrek zijn aanzienlijke bedragen uitgegeven.
De stalgebouwen waren vol mooie paarden en karossen, terwijl een jacht op den Rijn voor Emmerik altijd voor hem gereed lag als het hem lustte op de rivier te gaan spelevaren. Deze groote staat had veel geld gekost en zijn nalatenschap, werd dan ook bezwaard met een schuld van niet minder dan 6 ton gouds.
Daar er geen rechtstreeksche mannelijke nazaten waren, had hij tot opvolger een zoon van zijn zuster benoemd: Franz Wilhem Nicolaus Josephus Mainhard von Hohenzollern, die den 6en December 1704 te Sigmaringen geboren was. Hij aanvaardde de erfenis onder voogdij van zijn moeder, tot hij in 1724 als regeerend vorst optrad. In dat zelfde jaar huwde hij te 's-Heerenbergh Maria Catharina Gravin van Truchsess von Waldburg-Zeil, die twee jaar ouder dan haar man was.
Het is onder zijn regeering, dat de droeve dagen voor het Huis Bergh zijn aangebroken, waar de geel geworden papieren, in het archief van het Huis bewaard, van getuigen. Alhoewel deze schrifturen wel eenig licht op de gebeurtenissen werpen, is er toch zeer veel dat in het duister blijft en ons niet geopenbaard wordt.
Als hofraad fungeerde in die dagen 'een zekere Frans Anthoon Eppelen van Rayhoff.
Was hij uit Duitschland meegekomen, was hij geboortig uit deze omgeving? Wij weten het niet. Hij bekleedde, om zoo te zeggen, de post van Rentmeester-generaal, verder was hij een groote schavuit, die een onbegrijpelijk overwicht over zijn meesters had en veeleer zijn eigen belangen dan die van zijn principalen voor oogen had.
De Rayhoff, een goed onder Millingen gelegen, was hem door Franz-Wilhelm geschonken, of had hij het zijn meester afgetroggeld. Hij was in hooge mate onhebbelijk en heerschzuchtig, zooals uit het volgende wel zal blijken. De bedienden haatten hem, maar dorsten zulks niet te laten blijken, daar zij hem meer vreesden dan hun meester. En meermalen had hij fatsoenlijke personen uit den dienst verwijderd weten te krijgen door bij den Vorst en zijn gemalin, buiten hun weten om, kwaad van hen te spreken. Maar ook tegen zijn meesters trad hij op een wijze op, die alle grenzen te buiten ging.
Zoo getuigt later in het proces, waarvan de stukken voor ons liggen, de lakei Hendrik Kautz, dat hij dikwijls aan tafel zoo grof en onhebbelijk tegen zijn meesters was, dat het hem, een eenvoudige dienaar, te ver ging, zoodat hij hem gaarne een tafelbord in het gezicht geslingerd, hem van tafel gesleurd en met de voeten getreden zou hebben, als hij niet bang was geweest, dat hij aan het kortste eindje zou trekken.
Ook de vrouwelijke bedienden vertellen dat Gravin meermalen tranen in de oogen had en zich zelfs eenmaal tegen haar uitliet:
„Och toen ik hem (v. Eppelen) nog alles geven kon, ging alles goed maar nu dat niet meer kan, nu zoekt hij steecis maar twist met mij."
Onomwonden wordt door getuigen uitgesproken, dat de dood van den Graaf en de Gravin door zijn plagerijen verhaast werd. Inderdaad, oud zijn zij niet geworden, want zij stierven respectievelijk in 1737 en 1739. Dus 33 en 37 jaar oud. Eveneens vernemen wij, dat de in 1728 geboren Johan Baptist, hem ijskoud in presentie van het personeel toevoegde: „Ons zul je niet zoo bedriegen als je het wijlen mijn Vader en gedaan hebt."
Als een staaltje van zijn verregaande brutaliteit hooren wij, dat hij eenmaal, toen de Vorst, en hiermede moet wel de zooeven genoemde minderjarige zoon Jan Baptist bedoeld zijn, de koets had laten aanspannen om er mede naar Kleef te rijden, deze ijskoud had laten uitspannen, want een dergelijk optreden kan men zich tegenover den regeerenden Vorst niet indenken.
Zuiver op de graad was hij niet, want herhaaldelijk werden kostbare voorwerpen en eenmaal zelfs een paar mooie parels, naar Duitschland gezonden.
Verder blijkt uit getuigen-verklaringen, dat vele kostbare kunstvoorwerpen, die eenmaal het Huis Bergh sierden, naar zijn kamer verhuisd waren.
Een van de getuigen gaat zelfs zoover te verklaren: „Hij was als gelijk een magneet, die goud, zilver, juweelen en allerlei andere kostbare zaken tot zich trok.
Hij bewoonde n.I. twee kamers in het kasteel, waarvan de eene, de Rayhoffkamer geheeten, als een soort bureau-woonvertrek dienst gedaan moet hebben, en verder had hij elders in het slot een slaapkamer. Dit laatste is van belang in verband met hetgeen volgen zal.
Ook met thee, toenmaals een kostbare drank, knoeide hij, want een van de huishoudsters vertelt, dat hij haar vermaand had, te verzwijgen dat hij een groote hoeveelheid thee naar Duitschland gezonden had, die bestemd was voor den dienst van de Vorstelijke familie.
Welke was de oorzaak dat hij zulk een funesten invloed op den Graaf en de Gravin heeft gehad. Heeft hij met duistere machinaties zijn principalen in den waan gebracht, dat zij ten eenenmale van hem afhingen?
ZMen zou het uit de woorden van de Gravin boven aangehaald wel zeggen.
Was hij de geldschieter-woekeraar, die de kans kreeg zich groote baten uit den met schulden belasten boedel toe te eigenen?
Deze mogelijkheid achten wij niet uitgesloten gezien de mentaliteitvan vele Duitsche hofjes in die dagen, waar de Vorsten van elke kennis van zaken ten eenenmale gespeend waren en maar al te gereede slachtoffers van woekeraars en dergelijke lieden waren.
Het feit dat hij het goed de Rayhoff, dat tot de goederen van het Huis Bergh behoorde, bezat, is een aanwijzing in die richting. De portretten van Franz Wilhelm en Maria Catharina, die nog te Boxmeer berusten, munten niet uit door buitengewone intelligentie, maar bepaalde domheid spreekt er ook niet uit. Bovendien dateeren zij uit een tijdperk, waarin de schilderkunst en speciaal de portretkunst reeds in verval was.
In den nacht van den 14en op den 15en October van het jaar 1735 brak er op het kasteel een verschrikkelijke brand uit, waardoor het bijkans geheel verwoest werd.
Uit de bovenaangehaalde processtukken vernemen wij het volgende:
Dien avond had er wederom een hevige scène tusschen de Gravin en Eppelen plaats gegrepen, waarbij booze woorden gevallen waren, welke eindigde doordat Eppelen woedend het vertrek verliet en de deur hard achter zich dicht sloeg.
Dienzelfden avond zat Mademoiselle Fremjot, de kamenier van de Gravin, heel laat nog eenig naaiwerk af te maken, dat "hare meesteres haar had opgedragen.
Daarmee doende hoorde zij een eigenaardig gekraak en ploffen en liep de kamer uit om te zien wat er gaande was. Het geluid, dat zij aan brand meende te moeten toeschrijven, kwam uit de z.g. Rayhoffskamer, die echter gesloten bleek; haar eerste werk was Elisabeth van Alem, de kindermeid, te waarschuwen en met zijn beiden wekten zij Rutger Sluyter, de knecht van van Rayhoff, enlieten zich den sleutel overhandigen.
De kamer binnentredende zagen zij deze vol rook en vlammen en de laatste van „diverse couleuren" waarvan blauw vooral opviel. Men meende dit later te moeten toeschrijven aan het branden van „kersenwater" (Kirschwasser) en andere liqueuren, waarvan Eppelen er een groote hoeveelheid op zijn kamer had. Lang konden de vrouwen het er evenwel niet uithouden; de verstikkende rook dreef hen de kamer uit.
Inmiddels werd er groot alarm gemaakt en de klok werd geluid. De bevolking uit het stadje kwam aansnellen, doch degenen die bovenkwamen werden door van Rayhoff, die in nachtgewaad was, heel onvriendelijk weggejaagd, waarbij hij hen in het Duitsch toevoegde: „Duivelskinderen, ga heen, wie heeft jullie naar boven gestuurd?"
Ook sluit hij de voorpoort om te voorkomen, dat het volk binnen het kasteel kwam.
Men kan niet ontkennen, dat dit alles te denken geeft. Het kasteel brandde dien nacht voor een groot deel af, ook ging de prachtige bovenbouw van den grooten toren geheel verloren. Heel veel zilver, schilderijen, meubels, enz. enz., werden een prooi der vlammen.
Met recht spreken de stukken dan ook van den ruïneuzen brand en wordt er vermeld, dat het Huis dien nacht grootendeels in de asch is gelegd.
De familie vertrok naar het kasteel te Boxmeer dat thans, weliswaar in gewijzigden vorm, nog bestaat. Het is een Carmelietenkiooster geworden. Verschillende portretten van de Graven van den Bergh hebben hier een onderdak gevonden. Toch werd het Huis Bergh niet aan zijn lot overgelaten, zooals helaas in zooveel andere gevallen geschied is. Het wordt weer opgebouwd, maar niet zoo luisterijk als voorheen. In 1742 was de herbouw zoo goed als beëindigd.
Het sprak vanzelf, dat er geruchten begonnen te loopen. De Graaf en de Gravin schijnen hiervan onkundig gebleven te zijn, maar toen beiden gestorven waren, barstte de bom. Voor de minderjarige kinderen trad bij testamentaire beschikking de Bisschop te Roermond op en daar werd het proces tegen Eppelen dan ook aangespannen. Maar niet strafrechtelijk; civielrechtelijk pakte men hem aan.
Men beschuldigde hem, dat hij door verregaande zorgeloosheid en onvoorzichtigheid in het omgaan met vuur oorzaak geweest was dat de brand ontstaan was en eischte dat hij de aangerichte schade zou vergoeden.
Hij verweerde zich met hand en tand.
Eerst bestreed hij de voogdij van den Bisschop van Roermond, maar werd in het ongelijk gesteld. Daarna wierp hij het excuus op, dat de brand wel op de binnenzolder ontstaan zou kunnen zijn.
Maar ook dit ging niet op.
Er was dien avond niemand met vuur of licht op den binnenzolder geweest.
Zwaar woog de getuigenis van zijn eigen knecht, Nicolaas Josephus Scheffer. Deze verklaarde dat zijn meester hem herhaaldelijk last gegeven had, de kleeren heel dicht bij het vuur te hangen, zoodat zij gevaar liepen in brand te vliegen, terwijl er niemand in de kamer was.
Meermalen had hij 's avonds de kaars, die hij brandende tusschen stapels papieren vond staan, zonder dat er iemand aanwezig was, uitgeblazen, en verder vertelde hij, dat er heel wat papieren brandplekken vertoonden.
Summa summarum dringt zich bij ons het gevoel wel op, dat de brand hem zeer te stade kwam, alhoewel het bewijs, dat hij de brand met opzet gesticht heeft, niet geleverd is. En algemeen werd er dan ook wel gemompeld, dat zijn heb- en schraapzucht aan het heele geval niet vreemd was. Hij was dien avond na de scène met de Gravin naar zijn kamer gegaan en had die tegen elf uur verlaten om te gaan slapen. Een uur later brak de brand uit.
Hoe dan ook, het proces werd door hem verloren en hij werd tot schadevergoeding veroordeeld.
Den 15en Mei 1739 kwam het vonnis af en dadelijk gaf hij last een kar met al zijn hebben en houden op te laden om deze naar Pannerden (den Rayhoff) te expedieeren. Maar te Boxmeer werd de Drost de Raet gewaarschuwd en deze verbood het vertrek van dit voertuig, ten einde het te perquisitionneeren, om te zien of er zich ook goederen op bevonden, die eigendom van de Grafelijke familie waren.
Het kwam tot een hevige scène tusschen den Drost en Eppelen en toen de laatste beweerde dat hij zich op last van den Bisschop naar Pannerden begaf, voegde de Drost hem in presentie van verschillende personen toe: „Gij zijt een falsaris, blijf hier, ik zal het U bewijzen."
Kort na die scène betrad zijn knecht, Rutger Sluyter, doorgaans Rut Sluyter in de stukken genoemd, het vertrek van zijn meester en raadde hem aan zijn heil in de vlucht te zoeken, daar het mogelijk was dat het beslag op zijn goederen weldra gevolgd kon worden met een beslag op zijn persoon zelf.
In den vroegen morgen verschijnt Eppelen in de kamer waar zijn knecht Scheffer slaapt en overhandigt hem zijn overjas met zijn schabrak, waarin zijn pistolen zitten en geeft last zijn paard en een voor hem zelf te zadelen, zoodra de Vorstelijke Familie zal zijn uitgereden, daar het dien dag een feestdag was.
Zoodra zulks dan ook gebeurd was, steeg hij, gevolgd door Nicolaas Scheffer, te paard en volgde de groote heirbaan een eindweegs tot hij op een oogenblik daarvan afweek en langs zijwegen het veer te Catwijk a. d. Maas bereikte; daar gekomen riep hij den veerman aan, met verzoek hem terstond over te zetten, onder beding, dat hij alleen de volle vracht zou betalen, alles uit vreeze, dat hij vervolgd en alsnog gegrepen zou worden. In Nijmegen geeft hij aan zijn knecht zijn overrok af, waarin zich twee zakken met goud, beide naar diens zeggen twee vuisten groot bevonden, de een gevuld met gouden pistolen, de andere met ducaten.
Te Millingen doet hij zich door den ambtman twee valsche passen afgeven, te Xanten vermijdt hij de stad en rijdt er met een wijden boog omheen en te Rijnberk aan de poort door de wacht naar zijn naam gevraagd, geeft hij den naam van 't Hoff op.
De reis ging naar Frankfort en daar eenmaal aangekomen kon hij een „oef" uitblazen, want tegen zijn knecht zeide hij: „Nu is uw fortuin gemaakt, ik zal u promoveeren".
Dit woord heeft hij blijkbaar niet gehouden. Want Scheffer heeft later tegen zijn meester vele bezwarende getuigenissen afgelegd, ook die van de juist verhaalde vlucht. Hij scheen overigens voor geen kleintje vervaard en duistere plannen te koesteren. Want bij het verhoor van Scheffer kwam o. m. aan het licht dat, mocht het gelukt zijn, de voogdij van den Bisschop van Roermond onwettig te doen verklaren, hij van plan was het geheele Graafschap aan den Koning van Pruisen te verkoopen, de dan aangewezen voogdes, de Gravin van Montfort, was een willig werktuig in zijn hand. Wie weet of hij niet reeds met den Koning van Pruisen in onderhandeling getreden was.
Maar toen het Hof van Gelderland hem in het ongelijk stelde, was hij buiten zichzelf van woede en liet zich uit: „Och had ik kort na den dood van zijn ouders de jonge Graaf (d. i. Jan Baptist) maar mee naar Duitschland genomen!"
Hij zag dus niet op tegen ontvoering van een minderjarige, die hij waarschijnlijk wel heelemaal onder den duim gekregen zou hebben. Hoe dan ook, zooals gezegd, verloor hij het proces en werd tot schadevergoeding veroordeeld en op zijn goederen werd beslag gelegd.
Doch hiervan was hij geen getuige, want in 1741 moet hij gestorven zijn; naar een mondelinge overlevering, die te 's-Heerenbergh voortleeft, moet hij tijdens een overtocht over den Rijn verdronken zijn. Want de stukken van 1742 spreken van de weduwe van wijlen den heer Eppen van Rayhoff. Maar ook hier tasten wij weer in het duister.
Toch mogen wij dankbaar zijn, dat even een fel licht op een episode uit de geschiedenis van het Huis Bergh geschenen heeft, dank zij een pak stukken dat jaren in den somberen archieftoren gesluimerd heeft.

Bron

  • De Graafschapbode van 17 augustus 1934 op Delpher