Bijdragen aan Berghapedia? Kijk hier voor Hulp bij aanmelden

Gruitrecht

Uit Berghapedia
Ga naar: navigatie, zoeken

Wat is het?

Het gruitrecht was een heerlijk recht dat de houder het privilege gaf bier te brouwen en te verkopen. Het is in de tiende eeuw ontstaan en werd in het feodale stelsel door de keizer toegekend aan de adel en hoge geestelijken als bisschoppen en abten. Zij hebben het in onderleen doorgegeven aan niet alleen lagere leenmannen, maar ook aan steden. De belasting die zij zo konden heffen op het brouwen en verkopen van bier, kon een belangrijke inkomstenbron zijn. Bier was in de middeleeuwen meer een eerste levensbehoefte dan tegenwoordig: anders dan water uit een put of regenton was het altijd veilig om te drinken.

De naam gruitrecht is afgeleid van gruit, dat in de middeleeuwen in het gebied van Vlaanderen tot Noordwest-Duitsland een ingrediënt van bier was. Het was een mengsel van een graanproduct met bederfwerende kruiden dat werd toegevoegd om bier beter houdbaar te maken. De samenstelling van gruit verschilde per streek en waarschijnlijk ook door de jaren heen, maar veel gebruikte kruiden waren gagel, laserkruid en moerasrozemarijn. Toen vanaf de veertiende eeuw vanuit Zuid-Duitsland gehopt bier in zwang raakte, stapten meer en meer brouwers over op hop.

Het Keulse gruitrecht

De aartsbisschop van Keulen heeft de heren van Bergh al voor 1341 met het gruitrecht beleend. In dat jaar ontving Adam III van den Bergh van aartsbisschop Walram van Gulik (13321349) de hoge en lage jurisdictie in Etten en Gendringen, het collatierecht en de tienden van de kerk van Genderingen, de gruit en de munt aldaar, enige vazallen van de kerk van Keulen wonende tussen Kleef en Xanten, en de tienden in Hanselaer. De akte stelt dat wijlen heer Adams vader Frederik II van den Bergh ook met deze rechten beleend is geweest, maar er zijn geen documenten bekend waaruit deze belening blijkt. Heer Frederik overleed in 1331, terwijl aartsbisschop Walram in 1332 werd gekozen. Het was dus een van Walrams voorgangers die heer Frederik heeft beleend. Waarschijnlijk is de belening pas tien jaar na heer Adams aantreden herbevestigd, omdat hij bij het overlijden van zijn vader nog minderjarig was.

In november 1346 gaf aartsbisschop Walram toestemming het gruitrecht en ook het muntrecht te verplaatsen van Gendringen naar 's-Heerenberg. Enkele dagen later bevestigde heer Adam dat hij deze rechten in 's-Heerenberg zou uitoefenen gelijk zijn vader Frederik had gedaan. Deze woorden duiden erop dat heer Frederik beide rechten al voor zijn dood in 1331 in 's-Heerenberg had uitgeoefend. De toestemming van aartsbisschop Walram in 1346 lijkt dus eerder de bevestiging van een bestaande situatie dan een nieuw besluit.

De aartsbisschop van Keulen heeft de belening met bovengenoemde rechten, inclusief het gruitrecht, meermaals herbevestigd. Het archief van het Huis Bergh bewaart hierover leenbrieven uit 1354, 1469, 1484, 1547, 1612, 1618, 1621, 1657, 1662 en 1690. Dit betekent dat in elk geval graaf Oswald III dit privilege nog heeft genoten. In zijn tijd werd er geen gruitbier meer gebrouwen, maar hopbier, dus de naam klopte niet meer, maar het recht werd nog wel toegepast. Het is in 1798 vervallen toen de grondwet van de Bataafse Republiek in werking trad.

Het Eltense gruitrecht

Naast het gruitrecht dat de aartsbisschop van Keulen had verleend, heeft heer Frederik III in 1400 nog het halve gruitrecht van het kapittel van het Stift Elten gekocht.

Uit akten in het archief van het Stift blijkt dat het Eltense gruitrecht in de jaren tussen 1376 en 1432 meermaals is verkocht en verdeeld tussen een beperkt aantal particuliere personen. Soms verkochten ze hun aandeel terug aan de abdis. Op 10 augustus 1390 kocht abdis Elza van Holzate het hele gruitrecht terug, maar vier dagen later werd ene Gerrit Willen ermee beleend. In 1400 volgde de verdeling tussen Elten en Bergh.

Hierna bevestigden in 1432 in totaal 32 bierbrouwers in het gebied van Elten gruitgeld te zullen betalen aan abdis Lucia van Kerpen en heer Willem II samen. Het tarief was 1 oude Vlaamse groot per harington hopbier en per vat geïmporteerd bier. Beide bieren waren hopbier, maar de accijns werd nog wel gruitgeld genoemd. De groot was destijds een muntsoort, waarvan een voorbeeld staat op de pagina van heer Adam III. In 1436 werd voor deze regeling een nieuwe overeenkomst gesloten.

Het aantal van 32 brouwers geeft een indruk van de schaal waarop bier werd gebrouwen. Het Stift Elten was niet groot: anderhalf uur gaans lang en 1 uur breed, aldus N.C. Kist in zijn boek over het Necrologium van Elten. Het besloeg ongeveer het drostambt Elten ofwel het huidige Duitse gebied tussen de A3 en de Oude Rijn. Daar waren in 1432 dus minstens 32 brouwers actief. Het zullen allemaal kleine huisbrouwerijen zijn geweest. Deze vorm van huisnijverheid zal in die tijd ook in Bergh gebruikelijk zijn geweest.

Berghs gruitrecht elders

Bier werd zo veel gebrouwen dat het voor de hand ligt dat dit ook in andere Berghse bezittingen gebeurde. Of het gruitrecht in al die plaatsen in Berghse handen was, is een vraag die waarschijnlijk met nee beantwoord moet worden. Tot nog toe is het Berghse gruitrecht buiten Bergh alleen in de volgende plaatsen aangetroffen.

  • Dieren: In 1354, en mogelijk eerder, heeft de hertog van Gelre de heren van Bergh beleend met het gruitrecht en het muntrecht in Dieren. Dit zijn de enige rechten die zij daar ooit bezeten hebben. Ze werden vernieuwd in leenbrieven van 1417, 1424, 1473, 1525, 1547 en 1596.
  • Hedel: Ludolf van den Bergh had in 1497 een ernstig conflict met de hertog van Gelre over het gruitrecht in Hedel. In 1580 verpachtte Frederik van den Bergh, heer van Hedel, het gruitrecht aan Henrick van Affenbeeck.

Varia

  • In een aantal van bovengenoemde akten worden de heren van Bergh aangeduid als heer van Mons en Huis Bergh als "Huis (te) Mons". Mons is het Latijnse woord voor berg, dat hier in combinatie met het Nederlandse "van" onverbogen is gelaten. In combinatie met het Latijnse "de" volgt de ablatief van mons, wat het bekendere de Monte oplevert.
  • Een van de stadspoorten van Doetinchem was de Gruitpoort of Grutpoort. De naam verwijst net als de nog bestaande Grutstraat naar gruit.
  • Door de introductie van hopbier is gruitbier lange tijd geheel verdwenen, maar tegenwoordig zijn er weer enkele brouwers die het produceren.

Bronnen

  • Gruit op Wikipedia
  • Het archief van het Huis Bergh (boek), blz. 29–30, 112
  • Archief Huis Bergh:
    • Inventarisnummers 1617, 2862, 3972, 3980, 5391 en 5442
    • Regesten 93, 102, 103, 116, 301, 306 en 3610
    • Briefregesten 1544, 1555–1557, 1575
  • Het necrologium en het tynsboek van het adelijk jufferen-stift te Hoog-Elten, medegedeeld uit het onuitgegeven oorspronkelijk handschrift, benevens ene geschiedenis der Abdij, N.C. Kist; Leiden (1853), blz. 60 (Google Books)
  • Landesarchiv NRW Abteilung Rheinland Urkunden AA 0231 120.68.01-02 Stift Elten, Urkunden 29, 30, 33, 41, 42, 44–46, 56, 58, 95