Bijdragen aan Berghapedia? Kijk hier voor Hulp bij aanmelden

Jezuïeten

Uit Berghapedia
Ga naar: navigatie, zoeken

Adres: 's-Heerenberg Emmerikseweg 13

De eerste bewoners van het Patersklooster

Duitse jezuïeten lieten in de jaren 1908-1910 het Patersklooster in 's-Heerenberg bouwen. Zoals op de pagina over het Patersklooster te lezen valt, was dit een laat gevolg van de Kulturkampf die in de jaren zeventig van de negentiende eeuw in Duitsland werd gevoerd. Nadat daar in 1872 het Jesuitengesetz was aangenomen, moesten zij noodgedwongen hun land verlaten.

Jezuïeten uit Bonn en Essen vestigden zich toen in Nederlands Limburg; op een kasteel bij Baexem en op een kasteel bij Afferden. Toen laatstgenoemd kasteel afbrandde en het kasteel bij Baexem te klein bleek om alle jezuïeten te huisvesten, werd gezocht naar een locatie om een nieuw klooster te bouwen. Het oog viel op 's-Heerenberg, waar rentmeester Laurens Meijer van Huis Bergh behulpzaam was bij de aankoop van de benodigde grond.

In de tuin van hun klooster stichtten de jezuïeten een prachtige kruisweg.

Het Patersklooster met daarvoor nog de kloostermuur
De pas aangelegde kloostertuin. Rechts op het grasveld is de veertiende statie te zien.

De inwijding van het klooster

Uit De Graafschapbode van 22 oktober 1910

Het nieuwe klooster werd ingewijd op 18 oktober 1910. De avond tevoren waren wielrijders van de 's-Heerenbergse pedalistenclub onder aanvoering voormalig zoeaaf Hent Derksen naar het station in Emmerik gereden om monseigneur Henricus van de Wetering, aartsbisschop van Utrecht, en Joseph Damian Schmitt, bisschop van Fulda, op te halen. Deze twee hoge geestelijken zouden het klooster inwijden. Onder klokgelui en verlicht door lampions escorteerden de wielrijders de rijtuigen van de bisschoppen naar 's-Heerenberg. De fietsen waren met linten in de pauselijke kleuren wit en geel versierd en de berijders droegen sjerpen in dito kleuren. Derksen reed in zijn zoeavenuniform en werd begeleid door twee jongens die eveneens als zoeaaf waren gekleed.

De volgende dag om 9 uur 's morgens begon de festiviteiten. Overal in 's-Heerenberg wapperden vlaggen. Als eerste werden de twee kapellen gewijd; de bisschop van Fulda nam de benedenkapel voor zijn rekening, de aartsbisschop wijdde de eigenlijke huiskapel. Daar celebreerde hij in vol ornaat met mijter en staf een plechtige hoogmis.

Na afloop van de hoogmis droeg de bisschop van Fulda enkele relikwieën van Sint Bonifatius over aan het Patersklooster, dat daarmee de naam Sint Bonifatiushuis kreeg. Dit verklaart ook de aanwezigheid van deze bisschop; in zijn bisdom, ver weg in Hessen, staat het klooster Fulda waar de relikwieën van Sint Bonifatius worden bewaard. Boven de ingang van het klooster prijkt tot op de dag van vandaag een beeld van Sint Bonifatius, die in Nederland vooral bekend is omdat hij in 754 bij Dokkum werd vermoord.

De jezuïeten in 's-Heerenberg

De jezuïeten waren Duitsers en zij hadden weinig of geen contact met de bevolking en de geestelijkheid van 's-Heerenberg. Het zwaartepunt van hun activiteiten was onderwijs geven, en dat was net als hun andere werkzaamheden geheel gericht op Duitsland. In het klooster was een college voor hoger onderwijs, maar de tweejarige opleiding daar stond alleen open voor Duitsers.

In 1910 vermeldde het lesrooster:

  • Latijn
  • Grieks
  • Bijbel- en catechetisch onderwijs
  • Algemene humanistische studiën met oefeningen in welbespraaktheid

In 1915 vermeldde het lesrooster:

  • Latijn
  • Grieks
  • Duits
  • Ascetische en liturgische onderwerpen
  • Praktische oefeningen in catechismus, kerkzang en prediken

In 1915 waren er vijftig leerlingen, maar vanwege de Eerste Wereldoorlog waren de meeste aan het front. 27 leerlingen waren als ziekenverpleger in Frankrijk, België en Servië; negen leerlingen waren als soldaat in actieve dienst. Een aantal 's-Heerenbergse jezuïeten was tijdens de Eerste Wereldoorlog als aalmoezenier werkzaam in het Duitse leger. Twee van hen werden in 1915 onderscheiden met het Eiserne Kreuz, dat toen een Pruisische militaire onderscheiding was. Eén leerling keerde pas in februari 1919 terug uit krijgsgevangenschap in Frankrijk.

Ondanks hun gerichtheid op Duitsland, waren de jezuïeten best bereid hun Nederlandse buren van dienst te zijn. Zo had het klooster een dieselaggregaat om zelf elektriciteit op te wekken. Van oktober 1919 tot februari 1921 was er een overeenkomst met de gemeente Bergh voor de levering van stroom aan de marechausseekazerne en enkele andere gebouwen. De stroomlevering hield op toen de Provinciale Geldersche Elektriciteits-Maatschappij stroom ging leveren aan Bergh.

Terug naar Duitsland

In 1917 (zeven jaar na de bouw van het Patersklooster) werd het Jesuitengesetz opgeheven. Het stond de jezuïeten toen vrij naar Duitsland terug te keren, maar dat deden ze pas in 1937, nadat de bisschop van Münster daartoe opdracht had gegeven. Hierbij speelde het verdrag tussen Nazi-Duitsland en het Vaticaan van 1933, het Rijksconcordaat, ook een rol. De paters betrokken een klooster in Bad Godesberg bij Bonn. Waarschijnlijk was dit hetzelfde klooster dat hun voorgangers in 1872 hadden moeten verlaten.

De nieuwe bewoners van het Patersklooster waren de Witte Paters.

Bronnen