Bijdragen aan Berghapedia? Kijk hier voor Hulp bij aanmelden

Manderscheid-Blankenheim, Margaretha van

Uit Berghapedia
Ga naar: navigatie, zoeken

Abdis van het Stift Elten

Margaretha van Manderscheid-Blankenheim werd op 7 augustus 1572 gekozen tot twintigste abdis van het Stift Elten. Zij was de opvolgster van haar tante Magdalena van Wied-Runkel. Behalve in Elten was zij ook abdis van het stift Vreden, maar de bronnen vermelden niet wanneer zij daar regeerde. Abdis Margaretha werd in 1539 geboren als dochter van Arnold I van Manderscheid- Blankenheim en Margaretha van Wied-Runkel. Haar moeder was een zus van haar voorgangster abdis Magdalena.

Bij de verkiezing in Elten was Margaretha's tegenkandidaat Elisabeth van Sayn. Die verloor, maar werd in hetzelfde jaar abdis van het Stift Nottuln in Westfalen. In 1578 werd zij bovendien abdis van het Stift Essen, waar abdis Margaretha's zus Elsabeth van Manderscheid-Blankenheim (15441586) na een ambtsperiode van drie jaar was afgetreden om te trouwen.

Abdis Margaretha over leed op 4 maart 1603 na een ambtsperiode van ruim dertig jaar. Zij werd op 3 april opgevolgd door Agnes van Limburg Stirum. De verkiezing vond plaats in Emmerik, waar de stiftsdames sinds 1585 of kort daarvoor woonden. Hoewel het grondgebied van het Stift Elten geen deel uitmaakte van de Nederlanden, had het geweld van de Tachtigjarige Oorlog hen gedwongen veiligheid te zoeken in het hertogdom Kleef. Pas in 1643 was de wederopbouw althans zo ver gevorderd dat de stiftsdames konden terugkeren.

Familiebanden

In de eerste versie van deze Berghapedia-pagina werd abdis Margaretha opgevoerd als Margaretha van Manderscheid- Gerolstein, dochter van Gerard van Manderscheid-Gerolstein en Francesca van Montfort-Pfannberg. Zij waren echter haar oom en tante. Het gravenhuis Van Manderscheid-Blankenheim bestond uit een aantal takken en zijtakken, waarvan die van graaf Gerard zich Van Manderscheid-Gerolstein noemde. In het Necrologium van Elten en in het archief van Huis Bergh is Margaretha's achternaam steeds Van Manderscheid-Blankenheim (zoals ook die van de vijf andere Eltense abdissen uit dit geslacht), zodat deze vorm hier wordt aangehouden.

Abdis Margaretha's moeder was een volle nicht van Maria van Nassau, de vrouw van Willem IV van den Bergh. Toen in 1563 hun dochter Elisabeth werd gedoopt, was Margaretha haar peettante. Zij was toen nog geen abdis, maar al wel ingetreden in het Stift Elten.

Een andere dochter van Maria van Nassau en graaf Willem IV, Catharina, trouwde in 1601 met Floris II van Pallandt. Hij was een zoon van Philippa Sidonia van Manderscheid-Gerolstein, die een kleindochter was van de hierboven al genoemde Gerard van Manderscheid-Gerolstein en Francesca van Montfort-Pfannberg.

Hoewel het Stift Elten zes abdissen uit het gravengeslacht van Manderscheid-Blankenheim heeft gehad, is er in Elten geen straat naar hen vernoemd. In Vreden, waar eveneens meerdere leden van dit geslacht abdis zijn geweest, is wel een Von Manderscheidt-Straße.

De Tachtigjarige Oorlog

Het grondgebied van het Stift Elten maakte geen deel uit van de Nederlanden, maar in 1582, tijdens abdis Margaretha's ambtsperiode, trokken troepen van Willem van Oranje plunderend door de omgeving. Waarschijnlijk hebben zij hierbij een (groot) deel van Eltens graanvoorraad meegenomen, want op 11 augustus 1582 liet abdis Margaretha een verzoek aan graaf Willem IV overbrengen om koren en hooi uit Bergh te mogen invoeren. Graaf Willem had op deze goederen een uitvoerverbod ingesteld, maar stemde ermee in voor het Stift een uitzondering te maken.

De invoer van koren en hooi uit Bergh duidt erop dat het Stift Elten na de plundering van 1582 bewoond is gebleven, want graaf Willem IV heeft (in zijn hoedanigheid van stadhouder van Staats Gelre) pas op 11 juli 1583 aan abdis Margaretha en haar onderdanen een sauveguarde (vrijgeleide) gegeven. Of zij toen al naar Emmerik zijn uitgeweken, of nog tot de zomer van 1585 hebben gewacht, is niet duidelijk. In elk geval hebben Staatse troepen (deels) onder leiding van Marten Schenck van Nideggen die zomer de Eltenberg ingenomen. Het abdijgebouw en de kerk hebben zij toen verwoest. In Emmerik, dat in het hertogdom Kleef lag, waren de stiftsdames veiliger.

Het archief van Huis Bergh

Het archief van Huis Bergh bewaart een beperkt aantal documenten waarin de naam van abdis Margaretha wordt genoemd. Bovenstaand verhaal berust mede op deze documenten.

  • Op 11 maart 1567 ondertekenden Margaretha (toen nog decanes), haar tante abdis Magdalena en Elisabeth van Sayn een akte waarmee Andries van Broecheze, ambtman te Elten aan Arnt Teykynck en diens vrouw Elisabet voor twaalf jaar het gerstland op het Oesterfeld tussen Gendringen en Wieken verpachtte. (Elisabeth van Sayn was, zoals hierboven al vermeld, in 1572 Margaretha's tegenkandidaat om abdis Magdalena op te volgen.)
  • In een brief aan Willem IV van den Bergh van 11 augustus 1582 verzochten bevelhebbers en dienaren van het Stift Elten om abdis Margaretha en haar onderdanen een uitzondering toe te staan op het verbod op uitvoer van koren en hooi uit Bergh, Didam en Beek.
  • Op 12 augustus (de volgende dag al) schreef graaf Willem in Arnhem een brief waarmee hij met het verzoek instemde.
  • Op 11 juli 1583 liet graaf Willem vanuit Zutphen aan zijn hoplieden in Doesburg, Doetinchem en Bergh weten dat hij abdis Margaretha en haar onderdanen uit Hoog- en Neder-Elten sauveguarde (vrijgeleide) had gegeven. [Hopman (meervoud hoplieden) was destijds in het Staatse leger de naam voor de rang van kapitein. De naam is een verbastering van Hauptmann.]

Haar vermelding in het Necrologium van Elten

Abdis Margaretha's overlijden is als volgt ingeschreven in het Necrologium van Elten onder IIII nona Martii (4 maart):

A[nno] 1603 die martis 4 Martii o[biit] Rever[enda] et Illustr[issima] D[omi]na D. Margaretha Com[itessa] à Manderscheid et Blankenheim, Domicella in Junckerad et Abbatissa Eltensis et Vredensis. quae Communit[ati] praesentiarum. Pro memoria legavit et dedit 100 daleros.
Op dinsdag 4 maart van het jaar 1603 overleed de eerwaarde en meest doorluchtige vrouwe Margaretha gravin van Manderscheid en Blankenheim, bewoonster van Jünckerath en abdis van Elten en Vreden die voor de presentie heeft bestemd en gegeven 100 daalders.

Jünckerath, een plaats in de Duitse deelstaat Rijnland-Plats, was destijds een heerlijkheid van de graven van Manderscheid-Blankenheim.

"Presentie" is een voorlopige vertaling van communitati praesentiarum. Net als in andere stiften was het gebruikelijk dat de stiftsdames een vergoeding (presentiegeld) kregen voor het bijwonen van herdenkingsmissen. Die presentiegeld werd beheerd en uitgedeeld door een presentiemeester(es).

Bronnen