Bijdragen aan Berghapedia? Kijk hier voor Hulp bij aanmelden

Tolrecht

Uit Berghapedia
Ga naar: navigatie, zoeken

Inleiding

De akte van 25 mei 1227 waarmee bisschop Otto II van Utrecht een jaarrente van tien Keulse mark uit de tol bij Rhenen toekende aan Hendrik van den Bergh. Dit is de oudste originele oorkonde in archief van Huis Bergh.

Het tolrecht was een heerlijk recht waarmee de heren en graven van Bergh een heffing konden opleggen aan kooplieden en andere reizigers die een land- of vaarweg in hun territorium passeerden. Tollen, de plaatsen waar de tol geheven werd, konden ze echter niet zomaar inrichten, want het tolrecht moest hen door de keizer of bisschop verleend worden. Een andere manier om het tolrecht, of althans inkomsten uit een tol te verwerven, was wanner andere edellieden het aan hen verpandden of verpachtten.

Zo kon het gebeuren dat de heren en graven van Bergh inkomsten hadden uit tollen die niet in hun bezittingen lagen. Het oudste voorbeeld hiervan dateert van 25 mei 1227 toen de Utrechtse bisschop Otto II een jaarrente van tien Keulse mark uit de tol in de Rijn bij Rhenen toekende aan Hendrik, de vierde heer van Bergh. De akte waarmee bisschop Otto deze belening bekend maakte, is de oudste originele oorkonde in het archief van Huis Bergh.

In de middeleeuwen lagen de meeste tollen in vaarwegen, omdat het meeste vervoer over water plaatsvond. Deze watertollen waren veelal in handen van de adel, die de inkomsten voor allerlei doeleinden gebruikten. Toen vanaf de 17e eeuw de wegen verbeterden, nam het aantal landtollen toe. Landtollen waren vaak in handen van particulieren, gemeenten of het rijk, die de inkomsten vooral gebruikten voor het onderhoud van de betreffende weg.

Door de opkomst van het vervoer per spoor namen de inkomsten uit landtollen steeds meer af. Op 1 mei 1900 werden de rijkstollen opgeheven, waarna de gemeente Bergh zijn tollen per 1 januari 1906 ophief. Maar pas op 26 januari 1948 verdween de laatste gemeentelijke tol: die tussen Gouda en Bodegraven.

Het feodale tolrecht

De watertollen

Hierboven is al vermeld dat in de middeleeuwen de meeste tollen in vaarwegen lagen. De oudste belening met inkomsten uit een watertol aan een heer van Bergh stamt uit 1227, maar watertollen bestonden al veel langer. Toen keizer Otto II in 973 het Stift Elten als Rijksstift erkende, schonk hij tevens de Katentol op de IJssel bij Deventer. In 1241 heeft abdis Adelheid II de Katentol in eeuwige erfpacht aan Deventer gegeven.

Vanaf 1441 duiken er in het archief van Huis Bergh meerdere watertollen op. In een akte van 12 mei 1441 leggen Willem II van den Bergh en Dirk I van Bronkhorst-Batenburg een aantal geschillen bij, onder meer over de tolheffing "bij" de Wild. Vermoedelijk ging het hier om een watertol in de bovenloop van wat nu de Wetering heet. Daar grensde de Berghse heerlijkheid Gendringen aan de heerlijkheid Anholt, waar Dirk I van Bronkhorst-Batenburg in 1432 mee was beleend.

De Rijntol bij Emmerik

Smÿthŭÿsen bij Kellen, waar de watertol lag die in 1381 naar Emmerik werd verplaatst.
Detail van de kaart van Christiaan 's Grooten uit 1573

Eveneens in 1441 kwam Willem II van den Bergh in het bezit van de Rijntol bij Emmerik. Deze watertol werd ook "de tol van Smithuyzen" genoemd, naar zijn oorspronkelijke plaats bij Kellen ten noorden van Kleef. Vanwege veranderingen in de rivierloop was deze tol in 1318 naar Emmerik verplaatst. Nu werd de tol aan Willem II verpacht door Jan II van Culemborg en zijn zoons Gerrit en Sweder, die de tol in leen hadden van de deken en het kapittel van Sint Marie in Utrecht. Aanvankelijk was de jaarrente 63 mark, maar in 1444 werd dit veranderd in 4000 Rijnse guldens ineens. De tol lag op Kleefs grondgebied, wat een probleem was als schippers de tol niet wilden betalen. Echter, in 1482 gaf de hertog van Kleef toestemming aan Oswald I van den Bergh om ontduikers van de tol op Kleefs gebied te achtervolgen. Jasper van Culemborg, kleinzoon van Jan II van Culemborg, heeft de verpachting in of kort voor 1500 afgelost. Toen hij dat aan het kapittel van Sint Marie in Utrecht meldde, werd hij niet geloofd. Hierop vroeg hij graaf Oswald in mei 1500 om een formele kwitantie. Graaf Oswald vond zoiets niet nodig, omdat er bij de aflossing twee afgevaardigden van het Utrechtse kapittel aanwezig waren geweest. Hij stelde voor de zaak later nog eens te bespreken, maar erkende in zijn antwoord al dat hij de tol van Smithusen te Emerick had teruggegeven en er geen rechten meer op had.

Het Tolhuis bij Lobith

Het Tolhŭÿs, de watertol waar de Waal van de Rijn aftakte.
Detail van de kaart van Christiaan 's Grooten uit 1573

Niet ver van de Rijntol bij Emmerik lag het Tolhuis bij Lobith. Ook uit deze watertol verwierf Willem II van den Bergh inkomsten, namelijk toen Arnold van Egmont, hertog van Gelre en Gulik, graaf van Zutphen, hem op 6 januari 1444 een jaarrente van vierhonderd Rijnse guldens uit de opbrengsten van deze tol verkocht. Van de uitbetaling van deze jaarrente kwam echter weinig terecht, omdat hertog Arnolds positie omstreden was. Als kleinzoon van de zus van zijn voorganger hertog Reinoud IV, die in 1423 kinderloos was gestorven, was hij een wat te "verre neef". Een van de gevolgen van de langdurige opvolgingsstrijd was dat het Tolhuis na veel getouwtrek overging van Gelders naar Kleefs bezit. De hertog van Kleef voelde zich echter niet verplicht de jaarrente uit te betalen, omdat niet hij maar de hertog van Gelre die had toegekend. Over deze aangelegenheid zijn in het archief van Huis Bergh meerdere stukken te vinden.

Een uitgebreid verhaal hierover is te lezen op de pagina van het Tolhuis. Op deze plaats wordt volstaan met de vaststelling dat de heren en graven van Bergh veel, maar meestal vergeefse moeite hebben gedaan de jaarrente uitgekeerd te krijgen.

Andere watertollen

Naast bovengenoemde watertollen, komen er in het archief van Huis Bergh watertollen voor langs de Maas in Stevensweert, Haps en Hedel.

In Haps was behalve een watertol ook een landtol. Beide tollen stonden te boek als de Haepsche tol en behoorden volgens een oorkonde van 26 april 1565 beide toe aan de graaf van Bergh. Het is daarom vaak niet duidelijk welke van deze tollen bedoeld wordt. Was het de landtol die Frederik van den Bergh (de broer van graaf Willem IV) op 7 mei 1577 als den tol te Haips aan Peter van Erp en Herman Vergeest verpachtte voor 1400 Brabantse gulden per jaar? Welke tol was den Hapschen tol waarover graaf Oswald III van 1669 tot 1675 een conflict had met de prins van Oranje (stadhouder Willem III) in diens hoedanigheid van heer van de aangrenzende heerlijkheid Cuijk?

In Hedel was er in 1520 een geschil met Nijmegen. De hertog van Gelre droeg toen de bevelhebbers van Bergh (de regenten voor de minderjarige Oswald II van den Bergh) op de tollenaar in Hedel te bevelen geen tol te heffen op goederen van de burgers van Nijmegen tot hij hierover een beslissing had genomen. In 1555 dienden burgers van 's-Hertogenbosch een klacht in bij het Hof van Gelre. 's-Hertogenbosch ligt tegenover Hedel op de zuidoever van de Maas, maar zij moesten tol betalen hoewel er voor hun stad tolvrijheid gold. Of zij in het gelijk werden gesteld, is niet bekend, maar tien jaar later speelde deze kwestie weer (of nog). Graaf Willem IV schreef toen aan de burgemeesters en schepenen van 's-Hertogenbosch dat de oorzaak van de problemen was, dat Bossche burgers zijn tol hadden ontdoken, maar dat hij bereid was tot een schikking. Blijkbaar had 's-Hertogenbosch (volgens graaf Willem) geen tolvrijheid in Hedel.

De landtollen

De hierboven genoemde tol "bij" de Wild was mogelijk een watertol, maar verder zijn er in Bergh zelf voor zover kon worden nagegaan geen watertollen geweest. Landtollen waren er in het feodale tijdperk echter al wel. Willem I van den Bergh verleende op 15 juni 1376, de feestdag van Sint Vitus, aan de stad 's-Heerenberg het recht om op dijken en wegen tol te heffen, tot een maximum van 2 brabantsch per wagen en 1 per kar, en met vrijstelling daarvan voor zijn dienaren. Met brabantsch wordt de Brabantse versie van een muntsoort bedoeld, wellicht de Brabantse mark of de Brabantse gulden.

Uit de jaren rond 1700 is een lijst bewaard gebleven met toltarieven in de heerlijkheid Gendringen. Bovenaan de lijst staat:

De pagina's in inventarisnummer 3553 van het archief van Huis Bergh met nevenstaande tarievenlijst
Lijste Waernae betaelt en gebeurt word den Hoog graefflijken Bergsen Toll onder de Heerlijkheid gendringen en de kerspelen en buijrschappen daer onder resorterende

Daarna volgen de tarieven in ponden. De munteenheid pond is hierin aangeduid met het verouderde symbool ℔. De lijst luidt als volgt:

Een koets of kales met twee off meer paerden bespannen 3–℔
Een koets, karre of chaise met een paerd bespannen betaelt 1–½
Een wagen met leijen beladen betaelt 3–„
Een wagen beladen met kolen, zaat, kalk en kanthoudt betaelt 3–„
Een wagen beladen met steen pannen en estrikken 2–„
Een gebonden of geboomden waegen beladen met turff hooij off strooii betaelt 3–„
Een wagen met brandhoud beladen: 1–„
Een waegen onbeladen: 1–„
Een stessenkarre Harderwijker karre met coopmanschappen off vis beladen: 2–„
Een karre met turff; hooij, strooij off anders beladen: 2–„
Een karre off stortkarre onbeladen 1–½℔
Een stel van een waegen 1–„
Een beest vet of mager 1–„
Van elke paerd coopmansgoedt off met pakken beladen 1–½℔
Van een verken en schaap „–¼℔
Van een aem wijn passerende word betaelt 3–„
Van een vat bier 1–„
Voor een Eesel 1–„
op den gendringsen merktdag des daags daer voor en daegs daer na word van alles dubbelt betaelt
Een gevaer s'anderen daegs weerom komende betaelt maer eene reijse

Het tolrecht in latere tijden

In eeuwen na het feodale tijdperk zijn er in Bergh nog meerdere landtollen in gebruik geweest. Mogelijk zijn sommige daarvan al door de graven van Bergh ingesteld, maar dat kon (nog) niet worden nagegaan.

De Categorie Tollen in de gemeente Bergh geeft een lijst van tollen in de voormalige gemeente Bergh.

De volgende pagina's gaan over het onderwerp Tol:

Bronnen