Bijdragen aan Berghapedia? Klik hier om je aan te melden !

Deurvorst, Zeno Willem Marie

Uit Berghapedia
Ga naar: navigatie, zoeken

Zijn levensloop

Zeno Deurvorst met een van zijn filmtoestellen

Zeno Willem Marie Deurvorst werd op 6 oktober 1895 geboren in Ulft als zoon van Franciscus Bernardus Deurvorst, directeur van de ijzergieterij DRU, en Jaqueline Pauline Bernardine Zenobia Maria Vonk de Both. Zijn moeder was een kleindochter van notaris Frans de Both. Zijn geboortehuis had destijds het adres Ulft D4; nu is het F.B. Deurvorststraat 4. Daar is in januari 1897 nog zijn oudste broer geboren, maar datzelfde jaar verhuisde het gezin naar de nieuwe Villa Zeno, die zijn vader bij de ingang van het DRU-terrein had laten bouwen. Daar kreeg Zeno nog drie broers. De villa was vernoemd naar zowel Zeno als zijn grootvader van moederskant, Zeno Johan Gerhard Vonk de Both. In 1986 is Villa Zeno afgebroken.

Zeno, van katholieken huize, trouwde op 20 januari 1926 in Londen met de Nederlands-hervormde Alida Maria Adriana Louisa van der Hardt Aberson. Zij was op 13 oktober 1901 geboren in Laag Keppel als dochter van Herman Anne van der Hardt Aberson en Alida Maria van Goens. Het kerkelijk huwelijk kon niet in Nederland plaatsvinden, omdat zijn vrouw niet tot het katholieke geloof overging. In Engeland kon dat wel, mits zij beloofden hun kinderen katholiek op te voeden. Zij kregen vijf kinderen, van wie de oudste in 1927 werd geboren in Linkebeek bij Brussel. Zeno werkte toen in Brussel bij Van Berkel's Patent. Vooral de oudere generatie zal, denkend aan de winkels van bakker, slager en kruidenier, de weegschalen en snijmachines van deze firma kennen.

In 1928 woonde het gezin in Voorburg. In de zomer van dat jaar ging Zeno op zakenreis naar de Ferro Enameling Co. in Cleveland, Ohio, voor besprekingen over de oprichting van een emaillepoederfabriek in Rotterdam. Die werd in 1929 opgericht onder de naam The Ferro Enameling Co. of Holland N.V. Zeno werd directeur van deze goed lopende fabriek, die emaillepoeder door heel Europa leverde.

Zeno stamde van zijn grootmoederskant van vaders zijde af van de oprichters van de DRU, Diepenbrock en Reigers. Als eerstgeborene lag het voor de hand dat hij zijn vader als directeur zou opvolgen. Hij was hiervoor ook gekwalificeerd, want hij had met succes het kandidaatsexamen aan de Economische Hogeschool in Rotterdam afgelegd. Hij werd daarna hoofd van de emailleerderij van de DRU, maar ontwikkelingen in het begin van de jaren twintig leidden ertoe dat hij ontslag nam en een vergelijkbare functie bij het hierboven al genoemde Van Berkel's Patent vond. Vanaf 1936 was hij wel president-commissaris bij de DRU.

Tot 1940 woonde hij met zijn gezin in Voorburg, maar vanwege de oorlog besloot hij te verhuizen naar zijn geboortestreek, de Achterhoek. Hij voorzag dat de levensomstandigheden in het westen van het land zwaar zouden worden. Al direct na de Duitse inval in mei 1940 verkocht hij zijn zeiljacht de Noordewind en kocht de Stille Reef, een kleine boerderij met drie hectare land in Azewijn. Hij liet het huis verbouwen en begon er, met een knecht, een klein boerenbedrijf. Hierbij maakte hij dankbaar gebruik van de raad van zijn buurman Jan Garben.

Toen de Verenigde Staten in december 1941 door de Japanse aanval op Pearl Harbor bij de oorlog betrokken raakten, werd zijn fabriek in Rotterdam onder Duits toezicht gesteld. Voor Zeno betekende dit niet alleen dat hij soms lang moest overleggen met ene Herr Kreuder, maar ook dat er voor hem als directeur niet veel meer te doen was. Hij kon zo zijn tijd besteden aan zijn gezin en het boerenbedrijf op de Stille Reef. Als nieuwe hobby fokte hij Franse hangoren. Tot zijn verbazing heeft hij een van deze konijnen voor zeventig gulden kunnen verkopen.

Zijn dood kwam onverwacht. Op vrijdag 24 november 1944 wilde hij met zijn motorfiets, komend uit de Vulcaanstraat in Gaanderen, de Rijksweg van Terborg naar Doetinchem oversteken. Nadat verkeer uit de richting van Doetinchem was gepasseerd, trok hij op maar zag daarbij een Duitse personenauto over het hoofd die van de kant van Terborg kwam. Zeno en de bestuurder van deze auto, een Oberleutnant, konden een botsing niet meer vermijden. Met botbreuken en een zware hersenschudding werd Zeno naar een ziekenhuis in Doetinchem gebracht. Kort voor middernacht de volgende dag overleed hij daar aan zijn verwondingen. Hij was 49 jaar oud. Als sterfdatum wordt algemeen 26 november aangehouden.

Zijn lichaam werd op 28 november bij storm en regen naar de Stille Reef overgebracht, maar de volgende dag bij zijn begrafenis op het kerkhof van Azewijn was het stralend weer. Naast familieleden waren daarbij vele inwoners van Azewijn aanwezig en ook vertegenwoordigers van fabrieken in de omgeving. Onder hen was B.F.M. Becking, directeur van Beccon in Doetinchem. Deze kwam de volgende dag om het leven bij een geallieerd bombardement op zijn fabriek.

Het graf van Zeno Deurvorst is nog steeds te zien op het kerkhof van Azewijn.

Fotograaf en filmer

Zeno Deurvorst was een ervaren amateurfotograaf en -filmer. Van de foto's die hij in Azewijn maakte, is een groot aantal opgenomen in het boek Azem van 't Hof tot heden.

Zijn eerste filmcamera kocht hij in Amerika, toen hij daar, nog in dienst bij Van Berkel's Patent, zijn eerste dienstreis maakte. Van de elf uur film die hij heeft nagelaten, deels zelfs in kleur, heeft zijn dochter Lied Deurvorst in 2011 de Zeno-Trilogie samengesteld. Deze compilatie van drie keer ongeveer een kwartier kan op YouTube bekeken worden. Een groot gedeelte van deel III speelt zich af in Azewijn. Hierin zijn onder andere te zien de hierboven reeds genoemde Jan Garben, pastoor Büter bij zijn intocht in 1934 en beelden van de processie in Azewijn in het begin van de oorlog.


Motorrijder

De foto is getiteld Zeno's eerste race 1923. Zo zonder spatborden zal hij de Dumonceau-bekerrit van dat jaar niet gereden hebben.

Zeno was een bedreven motorrijder. Op z'n motor is hij weleens over een ophaalbrug over de Oude IJssel gesprongen. Met een van z'n broers gooide hij het dan op een akkoordje met de brugwachter, die brug een eindje openzette.

Een van zijn motoren is een aantal keren te zien in deel I van de hierboven genoemde Zeno-trilogie. Als hij onderweg pech had met de machine, kon hij hem zelf repareren. In de jaren twintig had hij enige landelijke bekendheid als motorcoureur, doordat hij als lid van de KNMV (Koninklijke Nederlandse Motorrijders Vereniging) aan verschillende wedstrijden in Nederland en België heeft meegedaan. Daar waren een paar gedenkwaardige ritten bij.

In juni 1923 nam hij op een Harley Davidson deel aan de vierde Dumonceau-bekerrit. Bij deze rit, die sinds 1920 door de Motorclub Zuid-Holland werd georganiseerd, was de hoofdprijs een beker die beschikbaar was gesteld door de Jean graaf Dumonceau du Berg en Dal, een Belg die de Eerste Wereldoorlog in Nederland had doorgebracht. Het was een tweedaagse rit die (althans in 1923) begon bij het Kurhaus in Scheveningen en eindigde in het Belgische kuuroord Spa. De eerste dag voerde de 47 Nederlandse deelnemers van Scheveningen via Utrecht, Arnhem en Nijmegen naar het zuidelijkste puntje van Limburg. Daar werd, met het nodige oponthoud voor grensformaliteiten, de grens overgestoken naar Luik, het eindpunt van de eerste dag. De tweede dag was met het heuvelachtige terrein van de Ardennen een ware uitdaging. De route voerde van Luik via Bastogne naar de stad Luxemburg en vandaar via een oostelijker route terug naar Spa, het eindpunt. Aansluitend waren de deelnemers nog een dag te gast bij graaf Dumonceau. De winnaar van de rit behaalde 991 punten. Zeno kreeg met 959 punten een zilveren medaille, wat gezien de 305 punten van de hekkensluiter lang niet slecht was.

In 1924 volgde de Zesdaagse van België, die dat jaar van 10 tot 17 augustus verreden werd. De wedstrijd bestond uit zes etappes, die allemaal begonnen en eindigden in Chaudfontaine bij Luik. Onder de 31 deelnemers waren negen Nederlanders. De vijfde etappe (op 15 augustus) voerde deels over Nederlands grondgebied. De motorrijders kwamen bij dezelfde grensovergang als een jaar eerder in de Dumonceau-bekerrit Nederland binnen. Ze reden omhoog tot Roermond en daarna westwaarts onder Eindhoven door naar Oisterwijk bij Tilburg, waar een rustpauze was. Ten zuiden van Tilburg reden ze België weer in en verder terug naar Chaudfontaine. Aan het eind van deze dag waren er nog negentien deelnemers over, waaronder drie Nederlanders. Zeno was een van hen. Hij won de Zesdaagse niet, maar kon in de heuvels toch goed uit de voeten met z'n Harley Davidson. In een verslag over de laatste etappe staat: Deurvorst nam de hoogten goed en snel.

In de rubriek Van hier en daar uit de motorwereld in het blad Het Motorrijwiel heeft Zeno onder het pseudoniem Big Twin een uitgebreid verslag gepubliceerd van zijn belevenissen gedurende de Zesdaagse van België.

De deelnemer no. 11 aan de Zesdaagse van België in 1924
Uitreiking op 15 februari 1925 in de perskamer van de RAI in Amsterdam van de beker Aangeboden door Het Motorrijwiel en de Klein-auto aan Z. Deurvorst als KNMV-lid voor het leveren van de beste prestaties als Nederlandsch rijder in buitenlandsche wedstrijden gedurende 1924". De beker is nog steeds in het bezit van de familie Deurvorst.
Uit dagblad Het Vaderland van 12 augustus 1924
Een bericht bij bovenstaande foto uit het Algemeen Handelsblad van 16 februari 1925

In de oorlog bewaarde Zeno zijn motor verstopt onder het hooi. Heel af en toe haalde hij hem tevoorschijn. Zo ook op 24 november 1944, waarop hij de aanrijding kreeg die hem fataal werd.

Reserveofficier

Zeno op oefening met de Vrijwillige Landstormkorps Motordienst in de zomer van 1922. Let op het kentekennummer, dat hetzelfde is als op de foto van de Zesdaagse van België. De motorfiets links is van Zeno's broer Mel.

Zeno was reserveofficier bij de Koninklijke Landmacht. In een latere fase kwam ook daarbij de motor van pas.

Hij kwam op 1 augustus 1914 in werkelijke dienst en werd na zijn officiersopleiding als vaandrig gelegerd bij het 19e Regiment Infanterie in de Mauritskazerne in Doesburg. Op 20 maart 1916 werd hij bevorderd tot 2e luitenant en in die rang op 16 augustus 1918 overgeplaatst naar het Regiment Grenadiers. Op 1 december 1919 ging hij, na ruim vijf jaar dienst, met groot verlof. Dankzij een speciale regeling voor reserveofficieren die tijdens de Eerste Wereldoorlog bestond, had hij militaire dienst en studie kunnen combineren.

Tijdens zijn groot verlof diende Zeno als vrijwilliger bij de VLKM, de Vrijwillige Landstormkorps Motordienst. De toenmalige Vrijwillige Landstorm bestond uit een stuk of twintig afdelingen verspreid over het land en had daarnaast een Motordienst, een Vaartuigendienst, een Spoorwegdienst en een Luchtwachtdienst. Als VLKM'er is Zeno ten minste één keer op oefening geweest. Dat was in de zomer 1922 toen de VLKM oefenende landstormers van Eindhoven naar Venlo, en van Venlo verder noordwaarts moest vervoeren. Dit alles gebeurde met particuliere automobielen en motorfietsen, dus met de eigen motorvoertuigen van de VLKM'ers. Ook Zeno's broer Mel heeft aan deze oefening meegedaan.

In maart 1920 werd Zeno bevorderd tot 1e luitenant der Grenadiers en met die rang in november 1934 geplaatst bij het reservepersoneel van de Schoolcompagnie van de Motordienst. Deze wat curieuze naam werd bij een reorganisatie in 1936 veranderd in Korps Motordienst. Bij dit korps werden chauffeurs en technisch personeel opgeleid voor het besturen en onderhouden van niet alleen motorfietsen, maar ook personen- en vrachtauto's. Een groot deel van het Korps Motordienst was in de jaren dertig gelegerd in Haarlem, zodat de eenheden die de militaire parade in 1939 in die stad afsloten hoogstwaarschijnlijk van het Korps Motordienst waren (zie deel III van de Zeno-Trilogie). Zeno heeft in 1937 eervol ontslag aangevraagd en gekregen als reservekapitein van het Korps Motordienst, maar in verband met de oorlogsdreiging is hij in december 1939 herbenoemd bij dat Korps.

Zo kwam het dat hij in de meidagen van 1940 in actieve dienst was bij het Korps Motordienst. Zijn eenheid was gelegerd in de Ripperda-kazerne in Haarlem, waar hij opdracht kreeg om in Hoek van Holland een aantal Engelse officieren op te halen. In een voertuig met zwaar bewapende militairen zette hij koers naar Hoek van Holland om onderweg in Voorburg "even" bij zijn gezin koffie te gaan drinken. De verbazing van zijn vrouw en kinderen was groot, als was het maar vanwege de gewapende militairen die op de treeplank stonden.

Na de koffie ging hij door naar Hoek van Holland, maar daar was geen Britse officier te bekennen. Onverrichter zake moest hij terugkeren naar Haarlem. De rit was in de buurt van Den Haag niet zonder gevaar vanwege de vele Duitse parachutisten die daar al geland waren.

Er is verder niets bekend over de Britse officieren die Zeno volgens het familieverhaal in Hoek van Holland moest ophalen. Wel is bekend dat er op 11 mei een Britse eenheid op het strand van Hoek van Holland is geland. Het zou gaan om een haastig verzameld infanteriebataljon dan wel een eenheid van tweehonderd mariniers. De opdracht zou zijn te helpen in de strijd tegen Duitse parachutisten rond Den Haag, maar zij namen op het strand slechts verdedigende posities in en gaven assistentie bij evacuaties. Mogelijk heeft Zeno deze eenheid wel ontmoet en was zijn opdracht een of enkele officieren landinwaarts te brengen. Dat hij onverrichter zake terugkeerde naar Haarlem, was dan een gevolg van het feit dat de Britse eenheid op het strand bleef.

De legerkist van 2e luitenant Deurvorst van de 3e compagnie van het 1e bataljon van het 19e Regiment Infanterie
Uit dagblad Het Vaderland van 15 december 1939

Bronnen