Bijdragen aan Berghapedia? Klik hier om je aan te melden !
Roofoverval op de Korenhorst: verschil tussen versies
k |
k |
||
| Regel 1: | Regel 1: | ||
[[Bestand:VR41.jpg|thumb|right|400px|'''Boerderij de Korenhorst]] | [[Bestand:VR41.jpg|thumb|right|400px|'''Boerderij de Korenhorst]] | ||
| − | Op donderdagavond 3 november [[1763]] werd het gezin Berntsen slachtoffer van een grote roversbende. Met hun gezichten zwartgemaakt of verborgen in doeken drongen zij rond tien uur ‘s avonds boerderij de [[Korenhorst]] binnen. Joanna Melissen, weduwe van Berent Berntsen, getuigde later dat het om een bende van minstens 25 man ging, wat in die tijd een uitzonderlijk grote groep voor een roofoverval was.. | + | Op donderdagavond 3 november [[1763]] werd het gezin Berntsen slachtoffer van een grote roversbende. Met hun gezichten zwartgemaakt of verborgen in doeken drongen zij rond tien uur ‘s avonds boerderij de [[Korenhorst_(Boerderij)|Korenhorst]] binnen. Joanna Melissen, weduwe van Berent Berntsen, getuigde later dat het om een bende van minstens 25 man ging, wat in die tijd een uitzonderlijk grote groep voor een roofoverval was.. |
[[Bestand:Roofoverval_korenhorst.jpg|thumb|right|400px|'''Correspondentie van het [[Hof van Gelre en Zutphen]] over de roofoverval in de Korenhorst. Toen nog beschreven als gelegen in [[Vinkwijk]].]] | [[Bestand:Roofoverval_korenhorst.jpg|thumb|right|400px|'''Correspondentie van het [[Hof van Gelre en Zutphen]] over de roofoverval in de Korenhorst. Toen nog beschreven als gelegen in [[Vinkwijk]].]] | ||
Versie van 21 feb 2026 om 12:33
Op donderdagavond 3 november 1763 werd het gezin Berntsen slachtoffer van een grote roversbende. Met hun gezichten zwartgemaakt of verborgen in doeken drongen zij rond tien uur ‘s avonds boerderij de Korenhorst binnen. Joanna Melissen, weduwe van Berent Berntsen, getuigde later dat het om een bende van minstens 25 man ging, wat in die tijd een uitzonderlijk grote groep voor een roofoverval was..
Na de huisbraak werd er door Berghse autoriteiten in Zeddam en omgeving rondgevraagd of er de afgelopen tijd verdachte personen in de buurt gelogeerd hadden of gezien waren. Het Hof van Gelre en Zutphen — het hoogste rechtsorgaan van de provincie — werd ook op de hoogte gebracht.
In hun reactie daarop wees het Hof van Gelre meteen een mogelijke verdachte aan:
“Ondertussen konnen wij niet voorbij om bij deese occasie uw t’erinneren hoe dat wij op den 23. Decemb. des voorige jaars 1762 uw kennisse hebben gegeeven, dat den diener of armejager woonende te Zeddam, en dus bij de plaatse daar alnu weder deese diefstal is gepleegt, suspect wierde gehouden van vreemde persoonen, en vagebonden te logeren, met gefinnen om op het gedrag van deesen diener behoorlijk agt te geeven en om voor soo verre hij reets ten opsigte van het logeren, ophouden en protegeren van landloopers en bedelaars de placaaten mogte hebben gepecceert, des sweegens teegens hem te procederen soo als in confirmité van de placaaten behoort.”
Inhoud
- 1 Armenjager met een dubbele agenda
- 2 De zoveelste roofoverval in de omgeving
- 3 Een waarschuwing van de buren
- 4 Vier verdachten vastgezet in Ulft
- 5 De heler in ‘s-Heerenberg
- 6 Opkomst van joodse bendes in de Republiek
- 7 Arrestatie van de gebroeders Simons
- 8 Op eigen kosten gevangen
- 9 Ontsnapping van Huis Bergh
- 10 Opgepakt in Heerde
- 11 Verhoor in het Hof van Gelre
- 12 Inlichtingen in ‘s-Heerenberg en Boxmeer
- 13 De onbekende bezoeker
- 14 Verhoor van Evert van Dillen en Evert van Remmen
- 15 Het vonnis
- 16 Bronnen
Armenjager met een dubbele agenda
Het Hof van Gelre en Zutphen had de Berghse autoriteiten dus al gewaarschuwd toen eind vorig jaar aan het licht was gekomen dat de armenjager Jannes van Mallen zich inliet met bedelaars en vagebonden; in plaats van ze te verjagen, bood hij hun zelfs onderdak aan. De in 1753 aangestelde armenjager is daar toen voor ontslagen, maar omdat deze roofoverval zich ook nog eens in de buurt van Jannes’ voormalige woonplaats had plaatsgevonden adviseerden zij om hem nu als verdachte te arresteren.
Aangezien de buit omvangrijk was vermoedde de Gelderse autoriteiten dat een deel ervan in de omgeving verborgen of verkocht is. Het leek onwaarschijnlijk dat de gestolen spullen onopgemerkt de provincie waren uitgesmokkeld. Daarom diende het onderzoek zich in het bijzonder te richten op huizen en locaties, waar niet alleen de buit maar mogelijk ook de daders zelf konden worden aangetroffen. Tenslotte geboden de Gelderse autoriteiten deze zaak om reden van “meer en meer toenemend quaad van geweldadige huijsbraaken in deese provintie” uiterst serieus te nemen.
De zoveelste roofoverval in de omgeving
De zorgen over het toenemende kwaad waren dan ook niet ongegrond. En dit was ook een belangrijke reden van Jannes’ aanstelling als armenjager in 1753. Steeds vaker doken er op het platteland rondtrekkende vagebonden en bedelaars op, die zich niet zelden mengden met gedeserteerde of afgedankte soldaten. Zo ontstond een reële dreiging voor de ‘goede ingezetenen’ op het platteland. Zij werden in tegenstelling tot stadsbewoners namelijk niet beschermd door grachten, muren en wachters.
In de voorgaande jaren hadden er in de omgeving al gewelddadige ‘huisbraken’ plaatsgevonden in onder andere Doesburg (1759), Megchelen (1760), Netterden (1761), Dinxperlo (1762) en Etten (1762). De overval in Doesburg is nooit opgelost, maar voor de vier daaropvolgende roofovervallen werden in februari 1762 zes leden van een beruchte roversbende opgepakt in Doetinchem en Almelo.
Dit zestal kon dus niet verantwoordelijk zijn geweest voor de gewelddadigheden in de Korenhorst; zij zaten immers al langdurige tuchthuisstraffen uit in Arnhem. Eén van hen werd zelfs ter dood veroordeeld en in mei van datzelfde jaar in Doetinchem geradbraakt. Deze uiterst pijnlijke vorm van de doodstraf werd slechts hoogstzelden uitgevoerd in deze regio en onderstreept wellicht hoe serieus de autoriteiten deze toename van diefstallen en gewelddadigheden namen.
Tijdens de zoektocht naar armenjager Jannes bleek al snel dat hij de provincie inmiddels had verlaten. Ruim twintig kilometer zuidwaarts was hij in de Pruisische stad Kalkar opnieuw in dienst getreden als armenjager. Het Hof van Gelre benadrukte dat Jannes in geen geval lucht mocht krijgen van het aanstaande bezoek dat hem te wachten stond. Tevens werd opgedragen in het kader van het onderzoek zijn voormalige woning in Zeddam grondig te doorzoeken op verdachte goederen en personen. Of en hoe Jannes ondervraagd is, is niet bekend. Het heeft waarschijnlijk niet tot een arrestatie of proces geleid.
In de nacht van maandag 26 op dinsdag 27 maart 1764 vond er wederom een huisbraak plaats in de omgeving. Ditmaal in Angerlo, bij het gezin van Jacob van den Berg.
Een waarschuwing van de buren
In juni 1765 ontving het het Gelders Hof een brief uit het Prins-Bisdom Münster met de mededeling dat zij een nieuw plakkaat (een wet) vervaardigd hadden “teegens alle vreemde boosdoenders en roovers soo van Christenen als Jooden in het Hoogstift Münster” en verzochten de Gelderse autoriteiten hetzelfde te doen om “de goede In- en Opgeseetenen in denselver Landen te bevrijden voor alle molest en roof, waer aen deselve dikwerf door diergelijk gespuijs worden blootgestelt”.
Het Hof van Gelre reageerde dat ze al verschillende plakkaten tegen landlopers hadden vervaardigd, maar bevestigden dat “alhier zeedert een geruijme tijd ‘t rooven en steelen verseld van swaare huijsbraaken sterk heeft gegrasseerd (toegenomen, gewoekerd) en nog dagelijks continueert”.
Vier verdachten vastgezet in Ulft
Na ruim anderhalf jaar werd de stilte rondom deze zaak eindelijk doorbroken. Er waren vier verdachten opgepakt en vastgezet in Ulft. Het ging om de joodse landlopers Joseph Samson, alias Joseph Beyer; Sander David, alias Sander met de Tit, omdat hij een ‘dikke borst’ heeft; Lasarus Levi, alias Leijser Moppel en Abraham Levi, alias Abraham Heest.
Zij werden in eerste instantie verdacht van de overval op een predikant in Gelselaar, in het noorden van Gelderland. Maar Sander David en Joseph Samson bekenden na een verhoor ‘onder torture’ ook deelgenomen te hebben aan de overval op de weduwe Berntsen op de Korenhorst. Een dag later herhaalde hij deze bekentenis nogmaals ‘buiten pijn en banden’, wat destijds juridisch vereist was om als een geldige bekentenis beschouwd te worden die tot een veroordeling kon leiden. De andere twee gevangen bleven wel ontkennen.
De vier arrestanten werden voor deze en andere gewelddadigheden veroordeeld tot de galg. Met de dood voor ogen en niets meer te verliezen; werd Sander ondervraagd over eventuele medeplichtigen. Die heeft hij toen genoemd: een daarvan woonde volgens hem in 's-Heerenberg.
De heler in ‘s-Heerenberg
Sander David begon te vertellen over die novemberavond vlakbij Zeddam, inmiddels anderhalf jaar geleden. Over hoe ze de buit tijdens de roofoverval in pakken stopten en vervolgens naar het Bergherbos vluchtten. Daar spraken ze af om de gestolen waar aan een heler in ‘s-Heerenberg te verkopen: ene Berent Simons, alias de Kromme Pokkeljood, of kortweg de Pokkel (omdat hij een gebochelde rug had), die vlakbij het stadhuis woonde. Met zijn schoonvader David ter Bach en compagnons De Groote Joseph, Knocken Leijser en Soeskint is Sander David toen met drie a vier pakken gestolen goed naar ‘s-Heerenberg vertrokken.
Eenmaal bij ‘s-Heerenberg aangekomen gingen zij “links om ‘s-Heerenberg en wel door een gangje daer een draijer stonde (waarschijnlijk een houtdraaier)”. Terwijl zijn makkers daar een herberg betraden bleef Sander David buiten wachten. Toen het viertal even later weer buiten kwam zeiden ze de pakken verkocht te hebben voor 24 a 25 gulden aan ‘de Pokkel’, die volgens hen zelf 3 daalders had overgehouden aan het doen van aanwijzingen en het afnemen van gestolen waar. De bendeleden zijn vervolgens de Pruisische grens overgestoken en naar Kalkar vertrokken.
Daarbovenop verklaarde Joseph Samson dat deze Berent als aanwijzer en heler ook betrokken was geweest bij inbraken in Didam en Wageningen. En dat hij 2 a 3 jaar geleden gezegd had dat “er een huijs in ‘s-Heerenberg was als een slot, maer dat er een hond op de plaets lag. Dat daer een kamer was daer gelt in was en daer niemand in sliep, dat sij dat makkelijck konden krijgen”.
Opkomst van joodse bendes in de Republiek
Berent Simons werd er dus van beschuldigd betrokken te zijn bij een joodse roversbende. Dit soort bendes en netwerken van criminele joodse mannen waren pas ruim een halve eeuw eerder voor het eerst in de Nederlandse Republiek opgedoken en waren met name rond 1760 sterk in opkomst.
De meeste mannen (in tegenstelling tot andere bendes die in deze tijd in Nederland opereerden, bestonden joodse bendes uitsluitend uit mannen) in deze bendes hadden hun wieg in Centraal- of Oost-Europa staan, waar de joodse gemeenschappen vaak op gespannen voet stonden met de autoriteiten van de steden en vorstendommen aldaar. Nederland stond bekend als relatief tolerant naar joden; Amsterdam had in deze tijd zelfs de grootste joodse gemeenschap van West-Europa.
Op de vlucht voor uitsluiting en pogroms en aangetrokken door de Nederlandse tolerantie migreerden vele joden in de 18de eeuw naar Nederland. De meesten waren echter arm en afhankelijk van bijstand in de vorm van aalmoezen. En ook in Nederland waren zij gebonden aan strenge regels; zoals het verbod om land te bezitten en de vele beroepen waarvan ze uitgesloten waren. Daardoor lukte het hen niet allemaal om een bestaan op te bouwen in een van de Nederlandse steden en belandde een deel van hen in de marginaliteit.
Arrestatie van de gebroeders Simons
Op 19 juni stelde de drossaard van Gendringen en Etten de Berghse autoriteiten op de hoogte van deze getuigenissen. De volgende dag werd niet alleen Berent Simons zelf, maar ook zijn broer Isaak en zwager David Nathan — de echtgenoot van hun zus Vogel en ook bekend met de naam ‘David Cohen’ — gearresteerd. Die laatste werd echter dezelfde dag al onschuldig bevonden en mocht daarom weer naar huis. De twee broers werden na enkele dagen ‘civiel arrest’ overgebracht naar het kasteel Huis Bergh, waar ze onder permanente bewaking van twee mannen vastgezet werden in het poorthuis.
Op 25 juni werd Isaak verhoord. Hij zei 40 jaar oud te zijn en getrouwd te zijn met Bely; met wie hij vier kinderen heeft. Berent zei 36 jaar oud te zijn en getrouwd te zijn met Reutke Isaak, met wie hij een zoontje heeft. De broers verklaarden wel gehoord te hebben over de vier joodse mannen die in Ulft vastgezet waren, maar hen niet te kennen. Op de vraag of ene Sander David weleens bij hen gelogeerd had, reageerde Isaak ontkennend, maar bekende Berent dat het wel zou kunnen dat deze Sander David ooit bij hem thuis was geweest om een aalmoes te vragen.
De gevangenen in Ulft werden een dag later op de hoogte gebracht van het verhoor in ‘s-Heerenberg. Waarop zij met alleen maar meer beschuldigingen kwamen: Sander David verklaarde nu dat Berent Simons ook op de hoogte was van de roofoverval in Angerlo, in maart vorig jaar. Hij zei hem kort daarna nog ontmoet te hebben en toen zou Berent hem gevraagd hebben wanneer hij het bendelid ‘De Groote Joseph’ bij hem thuis kon verwachten. De dag erop werden de arrestanten in Huis Bergh geconfronteerd met deze nieuwe belastende verklaringen, maar zij ontkenden wederom alles.
Op 4 juli werden de broers Berent en Isaak Simons naar Slot Ulft getransporteerd voor een confrontatie met Sander David. Over Isaak zei Sander dat hij hem wel kende van gezicht, maar nooit bij hem thuis geweest was en hem nooit gesproken had. Berent zelf herhaalde dat hij Sander slechts mogelijk een aalmoes gegeven had, en De Groote Joseph helemaal niet kende.
Vervolgens zijn de twee broers weer teruggebracht naar het Huis Bergh, waarop de schout Gerardus Bongers bewezen achtte dat Isaak Simons onschuldig is en hem daarom naar huis liet gaan. Berent bleef wel vastzitten voor verder verhoor. De autoriteiten waren “voornemens om den arristant soo lange in bewaeringe te houden tot dat de gevangene Joode in Ulft waeren geëxecuteert om waere het moogelijk op het eijnde van haer leeven nog iets meer tot lasten van den gearresteerde te ontdecken”.
Op eigen kosten gevangen
Tijdens zijn detentie op Huis Bergh moest Berent voor zijn eigen voedsel zorgen. Zijn vrouw kwam hem dagelijks eten brengen, maar klaagde er volgens Berent na verloop van tijd over “dat sij niet langer leven konde bij occasie dat sij hem alle dagen eeten bragt.” en dat “sijn schuldenaren sig niet langer wilden te vrede houden, maer sijn meubeltjes wilden aantasten”. Berent zei daarop tegen zijn vrouw “so hij weg quam, sij sig moest soeken te maintineren en gaen of na Holland of na Munsterland bij haer vrienden”.
In de dagen erna klaagde Berent tegen zijn bewakers dat hij ziek is en medische hulp nodig heeft. Deze bewakers waren echter geen professionele wachters, maar landarbeiders uit de omgeving. Deze tijdelijk ingehuurde wachters losten elkaar om de 24 uur af. Op zaterdag 13 juli viel de beurt aan de 63-jarige dagloner Evert van Dillen en de ruim 50-jarige ‘halve boer’ Evert van Remmen, buurmannen van elkaar op het Speldegoed in Azewijn. Die avond bleef Berent klagen over “groote pijn in den buik te hebben, en daarom onderscheijdene malen op het secreet (toilet) moeste wesen”.
Ontsnapping van Huis Bergh
In het donker van de nacht, rond 2 uur, ontdekten de bewakers dat Berent verdwenen was. Er waren geen braaksporen, de poort en deur zaten op slot en de sleutels zaten nog in hun zak. Volgens hen moest hij wel vanaf de brug naar beneden geklommen zijn. De volgende ochtend vroeg zijn ze het nieuws over de ontsnapping aan hun meerdere gaan vertellen.
Omdat men vermoedde dat Berent naar de stad Rheinberg was gevlucht (dat onder het gezag van de Bisschop van Keulen viel en ruim 50 kilometer ten zuidoosten van ‘s-Heerenberg) werd er een brief gestuurd naar de autoriteiten van deze stad om naar hem uit te kijken. Terwijl Berent op de vucht was is het doodsvonnis van de vier gevangen in Ulft voltrokken. Ze zijn in Gendringen opgehangen.
Opgepakt in Heerde
Op 27 augustus 1765 werd Berent in Heerde opgepakt en voorgeleid aan de plaatselijke schout. Dat hij ontsnapt was van Huis Bergh weisten zij op dat moment nog niet, maar dat de schout hem “suspect voorkomt, ten minsten een vagabonderent kerel is” en “alsop het uijterlijke niet veel goedt beloovende” was op dat moment genoeg reden om hem voor nader onderzoek vast te houden. Hij had een pas bij met zijn naam erop, een reiszak met wat oud linnen en zes gulden. De schout merkte ook op dat hij “zeer vreesagtig en is telkens ontstelt, het komt mijn voor dat hij een van de regte gauwdieven partij is”.
Toen Berent gevraagd werd naar de reis die hij afgelegd had, verklaarde hij vanuit Nederland naar Rheinberg vertrokken te zijn (zoals de Berghse autoriteiten al vermoedden), waar hij een pas (een reisdocument) heeft bemachtigd. Vervolgens is hij in een aantal dagen via de stadjes Dinslaken en Schermbeck naar Ahlen in het Münsterland gereisd, waar hij bij een nicht van zijn vrouw overnachtte. De volgende dag trok Berent nog verder oostwaarts, naar Beckum, waar zijn schoonmoeder woonde en hij twee en een halve week gebleven is. Daarna besloot hij weer richting het westen te reizen, naar de Republiek, met Amsterdam als beoogde eindbestemming. Bij het Twentse plaatsje Losser passeerde hij de Nederlandse grens. Na een overnachting in herberg ‘De Roode Haan’ in het plaatsje Enter vervolgde hij zijn reis en is vlak over de IJssel in het Gelderse plaatsje Veessen in de kraag gevat.
De schout van Heerde nam contact op met het Hof van Gelre met het verzoek te controleren of de arrestant op een ‘lijst van suspecte personen’ voorkwam. Deze lijsten met namen en uiterlijke kenmerken van verdachte rondzwervende personen werden destijds opgesteld aan de hand van getuigenissen van andere opgepakte vagebonden en dieven. Ook meldde de schout van iemand die net uit Varsseveld kwam gehoord te hebben dat er afgelopen vrijdag “zijnde de nagt naa de generale jagt in de Graafschap Zutphen. Aan de kleij onder Netterden of Zeddam, bij een Simons gestoolen is voor ongeveer 1200 guldens zoo aan geld, bedden kleederen als ander”.
Er kwam de volgende dag al een reactie terug. Er was geen twijfel dat hij nr. 71 was op de lijst die opgesteld was door onder andere Sander David:
“Nr. 71 Beernt Simons, woonachtig te ‘s-Heerenberg, zijnde naar gissing 40 jaaren oud, pokdalig, smal en blus van aangezigt, zwart van haar en baard, en heeft een boghel. Deeze zoude aanwijzingen doen waar te steelen is, daar voor zijn portie bekoomen en de gestoolen goederen koopen.”
Tijdens de daaropvolgende ondervraging in Heerde vertelde Berent 35 jaar oud te zijn, geboren in Amsterdam, en de kost te verdienen als koopman in linten en riemen, zonder een vaste woon- of verblijfplaats te hebben. Hij zei ooit wel in ‘s-Heerenberg geweest te zijn, maar niet meer te weten wanneer en er zeker nooit gewoond te hebben.
De schout van Heerde wist genoeg en stuurde een verzoek naar het Hof van Gelre om de gevangene over te nemen. Een paar dagen later is hij voor de stadspoorten van Arnhem afgeleverd, waar hij vastgezet is in het Hof van Gelre, dat destijds op de plek stond waar later het provinciehuis gebouwd is.
Verhoor in het Hof van Gelre
Op 5 september is hij daar verhoord. Hij bekende geboren te zijn in ‘s-Heerenberg, als zoon van de koopman Simon Isaacs en Rebecca. Zijn vader was vijf en een half jaar geleden aldaar overleden en zijn moeder een maand of drie geleden. Hij zei ook nog een broer te hebben: de koopman Isaac Simons, ook getrouwd en woonachtig in ‘s-Heerenberg. In dezelfde stad woonde ook zijn zus genaamd Vogel, met haar man David Nathan. Berent vertelde over een slagerij die hij in de stad uitbaatte, waar zijn broer hem soms bij hielp. En dat hij tien en een half jaar geleden getrouwd is met Reutke, afkomstig uit de stad Coesfeld in het Münsterland, met wie hij een zoontje van zeven heeft.
Een paar jaar geleden was hij met zijn gezin naar Boxmeer vertrokken. Dit stadje in het noordoosten van het huidige Noord-Brabant viel destijds onder het gezag van de Graaf van Bergh, waardoor Berent en zijn gezin een vrijgeleide konden bemachtigen om zich in deze stad te vestigen. Na twee jaar werd de vrijgeleide om onbekende reden weer ingetrokken, waarop het gezin weer terugkeerde naar ‘s-Heerenberg.
Op de vraag op welke manieren hij de kost nog meer verdiende, vertelde hij over een financiële slag die hij tijdens de laatste oorlog (zevenjarige oorlog, 1756 t/m 1763) had geslagen. Door in ‘s-Heerenberg vee te kopen van o.a. de rigter Boland en dit over de grens in Wesel te verkopen aan de Franse troepen — die deze stad op dat moment bezetten — zou hij wel duizend rijksdaalders verdiend hebben.
Inlichtingen in ‘s-Heerenberg en Boxmeer
Naar aanleiding van dit verhoor namen de Gelderse autoriteiten contact op met die van Bergh om meer te weten te komen over het reilen en zeilen van Berent.
Het antwoord arriveerde op 10 september, waarin verklaard werd dat “dezelven sig soo verre ons bekent is altijt wel gedraegen heeft, en sijn kost met koopmanschaph heeft gewonnen, zijnde alhier tot zijn laste niets als wel eenige schulden en hett geene waer meede door den geëxecuteerde Sander David tot Ulft is bezwaert”. Ook bevestigden ze dat Berents verhaal over zijn grote financiële slag in Wesel inderdaad klopt. Behalve het feit dat hij wel enige schulden had, en door Sander David werd beschuldigd, hadden ze dus nooit iets op hem aan te merken gehad.
Op 13 september werd Berent opnieuw ondervraagd over zijn banden met verschillende bendeleden. Over David ter Bach zei hij deze niet persoonlijk te kennen, maar wel te weten dat die af en toe met zijn vrouw in ‘s-Heerenberg in ‘t Witte Peerd kwam op momenten dat daar meer joden aanwezig waren, en dat hij weleens in zijn slagerij een stuk vlees had gekocht. Over Knocken Leijser wist Berent te vertellen dat die af en toe met diens vrouw ‘s-Heerenberg bezocht. En dat hij hem ook weleens katoen had proberen te verkopen, maar dat Berent dit geweigerd had omdat “dit sijn coopmanschap niet was”. Joseph Samson en de Groote Joseph zei hij niet te kennen. Wel had hij ooit ene Joseph uit het land van Keulen een tip gegeven over een paard dat voor 19 dukaten te koop stond bij ene boer Gijsbert, achter Wehl. Die boer had Berent een ‘schepel weit’ beloofd als hij een koper kon vinden voor zijn paard. Joseph zou dit paard gaan kopen en Berent had hem nog een dukaat ‘handgeld’ meegegeven, maar het paard is uiteindelijk nooit gekocht en Joseph was nergens meer te bekennen.
De beschuldigingen over heling en het doen van aanwijzingen bleef hij volstrekt ontkennen. Op de vraag waarom hij ontsnapt was van Huis Bergh verklaarde hij dat hij medische hulp nodig had en het niet meer kon betalen om op eigen kosten te verblijven. Hij zei niet van de brug afgeklommen te zijn, maar “door een klein deurtje zijnde in grote poort is weggegaan, het geen op ‘t slot stond en dus niet meer te doen had als maer na sig te trekken” en over zijn bewakers zei hij “dat wanneer hij heen ging die beide menschen saten te slapen”. Hij zei zelfs dat de bewakers en de zoon van de burggraaf Joseph Scheers wisten dat het poortje open was, maar verzuimd hadden het te repareren.
Half oktober is er nog een brief vanuit het Hof van Gelre naar de drost van Boxmeer gestuurd om inlichtingen te krijgen over de handel en wandel van Berent Simons in de twee jaar dat hij daar woonde. Navraag bij zijn buren leverden geen nadelige feiten op, voor zover zij hadden gemerkt had hij zich altijd ‘wel en getrouw’ gedragen.
De Gelderse ondervragers begonnen hun geduld kwijt te raken en vermaanden Berent om eindelijk de waarheid te vertellen, “met voorhoudinge van de onwaerschijnlijkheit dat eene van sijne natie hem soude beschuldigen met saeken die onwaer waren”. Toen begon Berent te vertellen over een incident dat zich volgens hem een jaar of vier geleden had afgespeeld in ‘s-Heerenberg.
De onbekende bezoeker
Terwijl Berent in Wesel druk was met zijn paardenhandel, zou er een onbekende joodse man bij hem thuis zijn geweest om zijn vrouw ‘de groetenisse’ van Berent te doen. Zijn vrouw voorzag deze man van eten, drinken en zelfs wat stuivers reisgeld. Echter bleek dat “die Jode daer mede niet was vergenoege, maar van haer wilde hebben een gulden of daelder, op voorgeven dat Berent te Wesel geld genoeg won”. Toen zij dat niet deed greep de onbekende man haar bij de borst, waarop de vrouw in paniek om hulp riep. De man sprong vervolgens de woning uit en zei “dat hij dit aen haer of haer man soude revangeren hoedanig en wanneer hij maer konde”. De buren Jan Mutter, Raphael Isaacs en hun echtgenotes kwamen op het geroep af en schoten haar te hulp.
Berent wist echter niet zeker of deze onbekende man een van de vier arrestanten in Ulft was. Zijn vrouw was wel van plan geweest om naar Ulft te gaan om ze te zien, maar durfde dit uiteindelijk toch niet omdat ze nooit in een ‘gerigt’ was geweest en ook een beetje doof was. Ook beweerde Berent dat Sander David hem nooit zelf had beschuldigd van heling, maar dit enkel van zijn kameraden gehoord had.
Toen de Gelderse autoriteiten contact opnamen met die van Bergh om dit verhaal te verifiëren, kwam aan het licht dat Berents’ echtgenote Reutke Isaacs al ruim twee maanden spoorloos was. Op zaterdag 13 juli, de dag van de sabbat en dezelfde dag als Berents’ ontsnapping, had zij haar meubeltjes, enkele stukken vee en wat geld aangeboden aan de pachtheer Jan Nijstadt en verhuurder Andreas Poor, als betaling voor haar schulden. De volgende ochtend bleek zij samen met haar zoontje Isaac in alle stilte vertrokken te zijn. Geen van haar buren of bekenden wist waar naartoe.
De in ‘s-Heerenberg wonende Jan Mutter en Raphael Isaacs zijn nog wel verhoord over het incident van vier jaar daarvoor. Zij bevestigden dat ze een heftige woordenwisseling hadden gehoord in het huis van Berent Simons. En zij troffen daar inderdaad Berents’ vrouw en een onbekende joodse man aan die om een aalmoes vroeg, maar konden de gewelddadigheden die Berent beschreef niet bevestigen.
Verhoor van Evert van Dillen en Evert van Remmen
Op 19de september werden de beide Azewijnse Everts in ‘s-Heerenberg verhoord. Evert van Dillen beweerde dat zij in de nacht van de ontspanning niet zaten te slapen, dat de poort echt op slot zat en dat de gevangene volgens hem “over de vleugels van de onderste brugge is geklommen”. Tot slot werd hen nog gevraagd of ze niet door iemand aangesproken waren met het verzoek om Berent te laten ontsnappen, wat ze beide ontkenden. Nadat de Azewijnse mannen nog even herinnerd waren aan “de swaere straffe des meijn eedts” werd het verhoor beëindigd.
Het vonnis
Op 29 oktober deed het Hof van Gelre uitspraak in het proces tegen Berent Simons:
“Gepaert met des gevangens vlugt uit sijn arrest te ‘s-Heerenberg, mitsgaders sijn variatiën en contradictiën en sijne thans daer bij komende vagabonderende leevenswijse hem gevangene alleen niet libereren van die beschuldiginge, maer in tegendeel hem allerdings suspecter maeken. Het voors. Hoff alles overwoogende, banden voors. Berend Simons voor alle sijn leeven uit deesen geheelen Furstendom en Graefschap bij poene van swaerdere straf, soo ooijt daer weder binnen gevonden mogt worden.”
Berent werd dus verbannen uit Gelderland. Zoals destijds gebruikelijk was, zal hij naar de provinciegrens zijn gebracht, waar hij aan de andere zijde zijn eigen weg moest vervolgen. Waar hij vervolgens naartoe is gegaan en waar hij en zijn vrouw zich hebben gevestigd, is onbekend. Berents familie is altijd in ’s-Heerenberg blijven wonen, en wellicht zochten zij hun verbannen familielid weleens op, maar in de Nederlandse archieven ben ik hem nooit meer tegengekomen.
Bronnen
- Criminele procesdossiers, 1765, Hof van Gelre en Zutphen, inv. nr. 4634.
- "Memorie en resolutieboek". Register van handelingen van het Hof van Gelre en Zutphen als regerings- en rechtscollege, 1587-1790. Jaar 1765, inv. nr. 50.
- "Crimineel sententieboek". Register van sententien in criminele zaken van het Hof van Gelre en Zutphen, het Hof van Justitie en het Departementaal Gerechtshof, 1544-1810. Datering 1762/1768, inv. nr. 4511.
- F. Egmond, Op het verkeerde pad. Georganiseerde misdaad in de Noordelijke Nederlanden 1650-1800 (Vertaalde dissertatie Groningen 1991. Oorspronkelijke titel: In bad company. Organized crime in the Dutch countryside during the 17th and 18th centuries. Nederlandse vertaling uit het Engels van Els Naaijkens. ISBN 90 351 1319 5)