Bijdragen aan Berghapedia? Klik hier om je aan te melden !

Observantenklooster Elten

Uit Berghapedia
Versie door Verre neef (overleg | bijdragen) op 7 aug 2022 om 10:57 (Aanvulling uit genoemde bronnen)
(wijz) ← Oudere versie | Huidige versie (wijz) | Nieuwere versie → (wijz)
Ga naar: navigatie, zoeken
Het observantenklooster in Elten zoals Jan van Heek
het in 1952 kort voor de afbraak tekende.

Het observatenklooster in Neder-Elten werd rond 1700 gebouwd ter vervanging van het klooster in de Briemer, dat in de Tachtigjarige Oorlog was verwoest. Het heeft in zijn begintijd een belangrijke rol gespeeld in het kerkelijk leven in Bergh.

Het verwoeste klooster in de Briemer was in 1463 door Willem II van den Bergh gesticht voor de observanten, aanhangers van een hervormingsbeweging binnen de franciscaner orde die streefden naar een strikte naleving van het armoede-ideaal van Franciscus van Assisi.

Na de verwoesting in 1572 zijn er plannen geweest het klooster in de Briemer ter plaatse te herbouwen. Die kregen een concretere vorm na het uitbreken van de Franse oorlog in 1672, waarmee de katholieken meer vrijheid kregen in het door de Fransen bezette deel van de Republiek der Verenigde Nederlanden. Dit was het oosten, waaronder ook het graafschap Bergh. Zo kon Madeleine de Cusance, de weduwe van graaf Albert, op 14 juli 1673 een verzoek honoreren van pater Adolf van Raesveldt, vicaris van de Saksische (of Westfaalse) provincie van de franciscanen. Hij wilde het klooster in dezelfde vorm en staat herbouwen. Een voorwaarde was wel, zo schreef gravin Madeleine, dat zodanige opbouwinge zonder tegenspraake van zijne hoogheid den Prins van Oranje ende regiering van staat zal mogen geschieden. De Prins van Oranje was stadhouder Willem III (16501702) en de regiering van staat waren de Staten-Generaal.

Toen gravin Madeleine haar toestemmingsbrief schreef, was het oosten van Gelre nog in handen van de Fransen, maar zij waren aan de verliezende hand. Het was dus te verwachten dat de Republiek zijn gezag zou herstellen, waarmee de katholieken weer meer beperkingen zouden worden opgelegd. Daarom maakte de gravin het voorbehoud dat de stadhouder en de Staten-Generaal hun toestemming moesten geven. In 1674 trokken de Fransen zich terug en in 1675 werd Willem III tot stadhouder van Gelre benoemd (in 1672 was hij al in Holland, Zeeland, Utrecht en Overijssel benoemd). Maar Willem III en de Staten-Generaal gaven geen toestemming, ook niet aan graaf Oswald III, die in 1674 het bestuur over Bergh van zijn moeder had overgenomen.

In afwachting van de herbouw hadden al wel enkele franciscaner monniken illegaal hun intrek genomen in een huis niet ver van de kloosterruïne. De herbouw raakte met de aftocht van de Fransen in 1674 uit het zicht, maar vijf jaar later, op 20 februari 1679, bood Maria Francisca van Manderscheid-Blankenheim, abdis van het Stift Elten, redding door een stuk grond in Laag-Elten voor de herbouw aan te bieden. Dit kon zij doen, omdat het Stift Elten niet tot de Republiek der Verenigde Nederlanden behoorde. Frederik Willem I van Brandenburg, die als hertog van Kleef de voogdij over het Stift Elten bezat, voelde zich echter gepasseerd door de abdis. Hij stond toe dat de kloosterkerk gebouwd werd, maar na de voltooiing in 1683 mochten er geen kerkdiensten gehouden worden. Zo ontstond er opnieuw vertraging. Pas nadat de Duitse keizer Leopold I van Habsburg in 1695 zijn steun verleende, kon de herbouw van het klooster worden voltooid.

Het Eltense observantenklooster heeft enige tijd een belangrijke rol gespeeld in de bediening van de destijds drie parochies in Bergh (toen staties genaamd). Ten gevolge van de Reformatie was in deze jaren het gebied van de Republiek benoorden de Waal de zogenaamde Hollandse Missie: een missiegebied zonder bisschoppen en zonder bezittingen. Veel priesters waren overgegaan naar het protestantisme, terwijl er geen nieuwe priesters werden opgeleid. Franciscaner paters uit Elten konden het priestertekort lenigen. Zij gingen als missionaris naar de drie Berghse staties. Een aantal van hen is met naam bekend.

  • In Beek waren dit de paters Biderwant, Van Sommer en Grutter.
  • In 's-Heerenberg waren dit de paters Doven en Myrinck. De "Beekse" pater Biderwant heeft mogelijk ook in 's-Heerenberg gestaan of heeft daar in elk geval missen opgedragen.
  • In Zeddam was dit broeder Jodocus.
  • Verder werd pater Daniel Hortman op verzoek van graaf Oswald III in 1684 (dus voor het klooster in Elten voltooid was) huiskapelaan van de huiskapel op Huis Bergh. Hij werd opgevolgd door pater Doven, die tevens pastoor van 's-Heerenberg werd.

Op 14 augustus 1757 werd graaf Johan Baptist, de Dolle Graaf, op verzoek van zijn familie en in opdracht van de Kleefse regering door Oostenrijkse troepen in dit klooster gearresteerd.

Geleidelijk aan kwam de priesteropleiding weer op gang, onder meer op het seminarie in 's-Heerenberg, dat in 1799 met toestemming van de streng katholieke graaf Anton Alois op Huis Bergh werd geopend.

Geleidelijk aan kwamen er weer genoeg Nederlandse priesters en nam de betekenis van het Eltense observantenklooster voor Bergh af. In de Tweede Wereldoorlog raakte het kloostergebouw zodanig beschadigd dat het in of kort na 1952 werd afgebroken. De twee zijaltaren uit de kloosterkerk met een geschilderd altaarpaneel voorstellende Sint Antonius van Padua met Jezuskind, zijn bewaard gebleven.

Het grondstuk op de hoek van de huidige Sandstraße en Schmidtstraße is tot op heden nog onbebouwd.

Bronnen