|
|
| Regel 1: |
Regel 1: |
| − | [[Bestand:Elisabeth Maria Gasseling (1920-2012).jpg|thumb|right|400px|'''Elisabeth Maria Peters- Gasseling op 20 augustus 1988]] | + | [[Bestand:Jonge Elisabeth Maria Gasseling (1920-2012).jpg|thumb|right|250px|<center>'''De jonge Bertha Gasseling</center>]] |
| − | '''Elisabeth Maria (Berta) Gasseling''' vertelde op zondagavond 18 december [[1994]] over haar [[oorlogsherinneringen]]. Haar verhaal is hieronder te lezen. | + | [[Bestand:Trouwen Jan Peters Berta Gasseling 25 juni 1946.jpg|thumb|right|250px|'''De bruiloft van Bertha Gasseling en Jan Peters op 25 juni 1946. De bruids- meisjes zijn Ans, Betsie en Thea Veenes.]] |
| | + | == Korte Levensloop == |
| | + | '''Elisabeth Maria (Bertha) Gasseling'' was boerin op boerderij [[Goedborg]] in [[Lengel]]. Zij werd op 20 april [[1920]] geboren in het [[Wehlse Broek]] ([[St. Jan de Doper|parochie Kilder]]) als negende en jongste kind van [[Gasseling, Franciscus|Franciscus Gasseling]] en Maria Elisabeth Maria Loeters. Haar vader was [[Bakkers|bakker]] en [[Molenaars|molenaar]]. |
| | | | |
| − | Zij werd op 20 april [[1920]] geboren in [[Wehl]] als jongste dochter van [[Gasseling, Franciscus|Franciscus Gasseling]] en Elisabeth Maria Loeters. In [[1929]] verhuisden haar ouders met hun kinderen naar [[Boerderijen|boerderij]] [[Goedborg]] in [[Lengel]]. | + | Zij bezocht aanvankelijk de [[Laetare-basisschool|lagere school]] in [[Kilder]], maar toen haar vader door de intense omgang met meel stoflongen kreeg en gedwongen was zijn bedrijf te verkopen, verhuisde het gezin naar de Goedborg in Lengel. Bertha was toen negen jaar. Ze ging nu naar de [[Meisjesschool (Zeddam)|meisjesschool]] in [[Zeddam]] en aansluitend naar de [[Huishoudschool Zeddam (RK)|Landbouw-Huishoudschool]], ook in Zeddam. |
| | | | |
| − | Op 20 juni [[1946]] trouwde zij in [['s-Heerenberg]] met [[Peters, Johannes Josephus|Johannes Josephus (Jan) Peters]], geboren op 26 januari [[1917]] op [[Boerderijen|boerderij]] [[Horst, De (boerderij Vethuizen)|De Horst]] in [[Vethuizen]] als zoon van [[Peters, Wilhelmus Henricus|Wilhelmus Henricus Peters]] en Theodora Johanna Bles. Zij is met haar man op boerderij Goedborg blijven wonen, waar ook haar kinderen geboren werden. | + | Op 20 juni [[1946]] trouwde zij met [[Peters, Johannes Josephus|Johannes Josephus (Jan) Peters]], geboren op 26 januari [[1917]] op boerderij [[Horst, De (boerderij Vethuizen)|De Horst]] in [[Vethuizen]] als vierde kind van [[Peters, Wilhelmus Henricus|Wilhelmus Henricus Peters]] en Theodora Johanna Bles. Het huwelijksfeest werd gevierd op de Goedborg, die tevens hun woonadres werd. Het bruiloft werd gevierd met beperkte middelen. Zo net na [[Tweede Wereldoorlog|de oorlog]] waren er nog veel levensmiddelen op de bon. Met clandestien slachten, gespaarde voedselbonnen en improvisatie was er toch voldoende om een groot feest te vieren. |
| | | | |
| − | Haar man overleed in [[Lengel]] op 25 augustus [[1990]], 73 jaar oud, en werd begraven op de [[Begraafplaats RK kerk Zeddam|r.-k. begraafplaats]] in [[Zeddam]]. Zij overleed in Zeddam op 8 juli [[2012]], 92 jaar oud, en werd bij haar man begraven.
| + | Er werden elf kinderen geboren; negen jongens en twee meisjes. Twee jongens zijn al kort na de geboorte overleden. Op 12 februari [[1981]] is haar jongste zoon Paul op 20-jarige leeftijd overleden ten gevolge van een tragisch verkeersongeluk. Op weg naar de HTS in [[Arnhem]] ging het mis ten gevolge van gladheid op de weg. Dit was een grote schok en is nooit vergeten. |
| − | <br clear=all/>
| |
| − | == De inval ==
| |
| − | We hadden nauwelijks een idee dat er [[Tweede Wereldoorlog|een oorlog]] zou komen. Wel kan ik me herinneren dat Frans Meier, van de [[Koppelpaarden]], hier een keer op het erf met m'n vader stond te debatteren over Hitler enz. Hij verkocht het [[Nationaal Socialistische Beweging|NSB]]-blaadje "Volk en Vaderland". Op een gegeven moment zei m'n vader tegen hem: "Frans, a'j now niet maak da'j wegkomp, dan haal ik de greep."
| |
| | | | |
| − | Op 10 mei [[1940]] stonden wij 's-morgens om vier uur al naar de lucht te kijken naar de vliegtuigen. De mensen zeiden: "Wat is ter toch an de hand?" De wegen waren vol van Duitse tanks en legerwagens. Zelfs mensen uit onze eigen plaats, o.a. Frans Meier, wezen de Duitsers de weg. Vanaf dat moment moest je afstand nemen van mensen die je niet meer vertrouwde. Onze buren zeiden niet veel. Ze hadden grond op Duits gebied en hoewel ze geen duidelijke sympathie met [[Duitsland]] lieten blijken, vertrouwden we ze toch niet helemaal. Eén van de eerste dingen die we hoorden was dat [[Overbeek, Theodorus Josephus Leo|Overbeek]] in 's-Heerenberg was doodgeschoten.
| + | Bertha overleed in Zeddam op 8 juli [[2012]], 92 jaar oud, en werd begraven op de r.-k. begraafplaats in Zeddam. Zij deelt haar graf met haar man, die op 25 augustus [[1990]] al in Lengel was overleden, 73 jaar oud. |
| | | | |
| − | Thuis vonden ze 't erg genoeg. De boeren werden vanaf dat moment behoorlijk geplukt. Enkele dagen later kregen we inkwartiering van Duitse officieren die een kamer opeisten. Deze mensen hadden ook al in Polen gevochten en vonden dat wij het er goed vanaf hadden gebracht met de invasie. In Polen kon je van het ene gat naar het andere gat springen. Het eerste wat ze deden was naar de twee winkeltjes in Lengel gaan om voornamelijk zeep te kopen. Palmolive, ik zie het nog voor me. Zo kwam hier ook door hun gehamster alles langzamerhand [[Distributiebon|op de bon]]. De boeren mochten maar een enkel varken slachten en die moesten dan met HSL (huisslachting) gestempeld worden. Dat was het huisslachtingsstempel, door de NSB-aanhanger G... uit Zeddam - die dit stempel moest aanbrengen - ironisch "het smik lekker" genoemd.
| + | == Het dagelijkse leven == |
| | + | Bertha was drie jaar oud toen haar moeder stierf. Dit is altijd een pijnlijke herinnering gebleven. Anderhalf jaar later hertrouwde haar vader met Johanna Gerarda Mulder, geboren in [[Herwen]] op 20 juli [[1880]] als dochter van Petrus Gerardus Patricus Mulder en Johanna Gesina Pouwels. Uit dit huwelijk werden geen kinderen geboren. De relatie met haar stiefmoeder was goed, maar het gemis van haar biologische moeder is altijd aanwezig gebleven. |
| | | | |
| − | Uit Lengel is [[Hermsen, Wilhelmus Antonius|Wim Hermsen]] op [[Militairen van mei 1940|de Grebbenberg]] gesneuveld. We zijn er op een avond op bezoek gegaan. Ze hadden net de persoonlijke spullen van hem toegestuurd gekregen. Ik zie nog het bloed aan zijn portefeuille zitten.
| + | Bertha was er als jongste van negen kinderen aan gewend dat het thuis druk was. Op de boerderij was er altijd volop bedrijvigheid. Als dochter van een veehouder die ook zakenman was, wist zij hoe een bedrijf gerund diende te worden. Het werk omvatte de verzorging van de koeien, varkens, kippen, paarden, het land, de boomgaard, de groente- en siertuin. |
| | | | |
| − | == Voedsel op de bon of clandestien ==
| + | Dan was er nog de zorg voor haar vader, haar stiefmoeder en haar snelgroeiende gezin. Tussendoor was er altijd nog tijd en plaats voor logees van broers, zussen en verdere familie. Haar [[Gasseling, Theodorus Johannes|broer Theet]] heeft nog een tijd met zijn gezin op de Goedborg ingewoond in afwachting van zijn [[:Categorie:Emigranten Frankrijk|emigratie naar Frankrijk]]. Nadat hij zich daar gevestigd had, kwam hij soms logeren met zijn vrouw en enkele kinderen. Ook [[Gasseling, Gerardus Theodorus|broer en pater Gerrit]] kwam regelmatig logeren en vakantie houden. Dit werd als een eer beschouwd en daar was dan veel aandacht voor. Ook haar zussen [[Gasseling, Wilhelmina Maria|Willemien]] en [[Gasseling, Theodora Johanna|Thea]], die beiden non waren geworden, kwamen in hun vakanties logeren. Kortom, het was vaak druk maar tegelijk ook gezellig. |
| − | Langzaam ging alles op de bon en kreeg je veel mensen aan de deur voor melk, graan of boter. Vooral ook familie. Uit Velp kwamen op een dag twee gezusters Van Ditshuizen. Ze namen wat spek mee en later hoorden we dat ze bij het bakken hadden gezegd: "Laten we de deuren toch goed dichthouden dan ruiken we tenminste de lucht ook nog een tijdje." Gerrit Ebbing uit 's-Heerenberg heeft hier ook de hele oorlog veel gelopen op zoek naar handel. Dan kocht hij weer een schaap, dan weer wat vlees of boter.
| |
| | | | |
| − | Als er gedorst was stonden de mensen in de rij om wat pondjes graan. We hebben zelf nooit echt gehamsterd. Laatst zei Mies Raben, de moeder van o.a. Tonnie Raben, nog tegen mij: "Onze Sjors is van jullie melk groot geworden." Ze kwam een keer in paniek bij ons, omdat ze niets meer had om haar kinderen te geven. Ze had allerlei spullen bij zich om te ruilen. Mijn vader verkocht het altijd voor een vaste prijs, een dubbeltje per pond. De clandestien gekarnde boter werd voor 7,50 per pond verkocht. Maar daar kwamen we aan te kort vergeleken met het werk wat daarvoor gedaan moest worden. Het wilde vaak niet 'boteren' of dan was het weer 'verbreu-jd' (als er te veel warm water bij was gedaan). Anders dan bijvoorbeeld Dorus Meier die door het hamsteren nogal aardig wat geld bij elkaar had verzameld. Daarvan werd gezegd dat hij na de oorlog, toen iedereen het oude geld moest inwisselen en daarvoor één tientje terugkreeg, zes manden met geld had ingeleverd. Even was iedereen weer even rijk hier in Nederland.
| + | Toen de kinderen nog jong waren werden er practicanten van huishoudopleidingen ingeschakeld. Die werden dan ook langdurig in het gezin opgenomen. Gelukkig was het huis groot genoeg voor al die mensen. |
| | | | |
| − | We probeerden natuurlijk zelf wel wat graan achter te houden. Dat was niet altijd even makkelijk, want ook bij het dorsen stond een controleur omdat alles eigenlijk geleverd moest worden aan de 'regering'. Wanneer je een schappelijke controleur had dan was er nog wel wat te ritselen. Of zoals controleur Heinz Spaan uit Vethuizen, die op de zakken zaad in slaap viel en onderwijl al het clandestiene zaad werd afgevoerd. Op onze boerderij werd niet zoveel clandestien gedorst. We zaten daarvoor te dicht bij de 'bewoonde' wereld, maar op de boerderij van mijn latere man in Vethuizen, die meer achteraf lag, werd dat veel gedaan. Daarbij werd dan meteen goed gegeten en gedronken. Daar zaten ook regelmatig mensen [[Onderduikers|ondergedoken]] en lange tijd heeft de familie [[Pennards, Petrus Bernardus Cornelis|Pennards]] van [[Café Restaurant Het Tolhuis|het Tolhuis]] in Zeddam er ingewoond omdat het Tolhuis vol met Duitsers zat en het punt daar veel te gevaarlijk was vanwege de vele beschietingen.
| + | Bertha steunde haar man in alles. De zorg voor het gezin, de kerkelijke verplichtingen, het werk op de boerderij, de familiebezoeken over en weer en nog veel meer. Voor het werk op de boerderij heeft ze eens het diploma "Handmelken" behaald. |
| | | | |
| − | Ook twee [[Koninklijke Marechaussee|marechaussees]], Nordhausen en Van de Berg, zaten daar ondergedoken. Koolzaad moest er ook verbouwd worden voor olie en maïs om te dorsen. Toch vonden de mensen weer primitieve middelen uit om de maïskolven te dorsen en machientjes die met de hand gedraaid moesten worden om de olie uit het koolzaad te persen.
| + | Vanaf [[1967]], toen de noodkerk van de [[Emmauskerk|Emmausparochie]] in Lengel in gebruik werd genomen, was Bertha lid van het gemengde kerkkoor, het [[Emmauskoor]]. Hier heeft ze meer dan veertig jaar met plezier gezongen. |
| | | | |
| − | == Inkwartiering, onderduikers en de Todt ==
| + | Rond haar 60e jaar deed ze bewust een stapje terug van het werk op de boerderij en ging ze meer dingen doen voor "haarzelf". Al eerder, begin [[Vorige eeuw|jaren zeventig]], heeft zij een welfarecursus van het Rode Kruis gevolgd. Daarna was zij jarenlang als welfarewerkster elke dinsdagmiddag in [[Gasthuis Sint-Gertrudis|bejaardenhuis Sint-Gertrudis]] in [['s-Heerenberg]] om de bewoners te helpen met handwerken. Dit was voor haar een wekelijks uitje, dat ze tot op hoge leeftijd heeft gedaan. Op het laatst was ze als lesgever vaak ouder dan de bejaarde leerlingen. Op 11 maart [[2002]] kreeg zij voor dit werk een onderscheiding van het Rode Kruis voor dertig jaar trouwe dienst. |
| − | Doorlopend was er [[inkwartiering]]. De veestapel moest ingekrompen worden, want daarvoor was geen vreten. Het leger ging in alles voor. De staf zat bij [[Verheij, Johannes Wilhelmus|café Verhey]] en het 'doodskoppenregiment' zat bij [[Bus (familie)|Bus]] op de [[Korenhorst (Boerderij)|Korenhorst]]. Mijn fiets werd gestolen en mijn broer wist dat deze bij Bus stond. Met gevaar voor eigen leven heeft hij hem weer opgehaald, werd beschoten door de soldaten die bij Bus zaten. Op het laatst konden we alleen nog maar fietsen op van die harde banden.
| |
| | | | |
| − | Ook moesten alle ramen verduisterd morden. Dat was op de boerderij een hele klus. Ook de stroom was regelmatig afgesloten en dat maakte clandestien dorsen moeilijk. Vaak was er alleen maar 's nachts stroom. Strijken kon dus het beste 's nachts gebeuren.
| + | Op 18 december [[1994]] heeft Bertha in een interview met de [[Heemkundekring Bergh]] over [[Interview met mevr. Peters|haar oorlogsherinneringen]] verteld. |
| | | | |
| − | Vanaf een bepaald moment werden de jonge mannen opgeroepen om te gaan werken voor [[Organisation Todt|de Todt]]. Vooral [[Tankgracht|tankvallen]] graven in de buurt van [[Zevenaar]]. Ook uit het westen moesten daar mensen werken. De boerenzonen hier uit de streek hadden eten genoeg, maar deze mensen leefden in kampen en die moesten het doen met de 'verpleging' die ze van de Duitsers kregen. En dat was niet veel. Ze vonden het daarom maar wat fijn dat ze 'kuch' (een hard soort brood; in die tijd gold de slogan "rats, kuch en bonen voor de militairen") van onze jongens kregen. "Boer, heb je nog verpleging?", vroegen ze dan. Er werd zelfs om gevochten en om dat te voorkomen lieten onze jongens het maar gewoon van de fiets vallen, zodat ze het dan zelf onder mekaar konden verdelen.
| + | == Haar poppen == |
| | + | Bertha heeft thuis een zestigtal poppen aangekleed in verschillende regionale klederdrachten, meest Nederlandse maar ook een zestal uit het Münsterland. Alle kleding heeft ze zelf gemaakt en zo nauwkeurig mogelijk nagebootst van tekeningen en foto's. Thuis was voor deze poppen een vitrinekast gemaakt. Met trots liet ze aan alle visite zien wat ze gemaakt had. Ze vertelde dan steeds hoe het gemaakt was en waarom zus en niet zo. |
| | | | |
| − | Dan was er weer een razzia en moesten de jonge mannen weer [[Verzet in WO II#Onderduikershulp|onderduiken]]. Dan werden er vooraanstaande mensen (in Zeddam b.v. de onderdirecteur van de [[Coop Zuivelfabriek Bergh|zuivelfabriek]] [[Ettema, Dominicus Hylarius|Ettema]], die nooit meer is teruggekeerd) in gijzeling genomen omdat er te weinig Todt-gravers zich hadden aangemeld. En dan gingen de meesten wel weer. Ook moesten er mensen uit Lengel werken in Duitsland. Een van hen, [[Wissink, Theodorus Lucas|Wissink]], is omgekomen bij een beschieting van een trein. Harry Peters uit Vethuizen moest met de brik (soort rijtuig) iedere dag in [[Beek]] komen om de toezichthoudende Duitser naar Zevenaar te rijden voor controle bij de Todt-gravers.
| + | Tientallen keren werd een deel van de poppen ingeladen, omdat Bertha een voordracht ging geven over haar poppen, of omdat haar poppen werden tentoongesteld. Zo was een aantal van haar poppen te zien in de [[Bibliotheek Montferland|bibliotheek]] in 's-Heerenberg en in de [[Rosmolen]] in Zeddam (7 en 8 mei [[1988]]), maar ook verder weg in het provinciehuis in [[Arnhem]] en zelfs in het Belgische Brugge, waar het kant dat zij gebruikte vandaan kwam. |
| | | | |
| − | Het was in maart ([[1944]]?), onder het rozenkransbidden, dat er drie bommen vielen links van onze boerderij op ons weiland. De ontplofte bom sloeg een enorm gat en de scherven hadden de palen van de afrastering net boven de grond afgesneden. Twee bommen ontplofte niet en we kregen zes weken politiebewaking om de mensen van de plek weg te houden. (Ze zullen er nog wel zitten want er is nooit iets mee gebeurd!) We hebben trouwens maar een keer een treffer gehad. Een granaat sloeg in tussen ons en buurman Meier. Scherven sloegen een kast hier in de kamer kapot en al het glas was uit de ramen.
| + | Met haar poppen heeft Bertha regelmatig de lokale en regionale [[kranten]] gehaald. Al haar poppen zijn na haar overlijden in 2012 een aantal jaren tentoongesteld geweest in het [[Dorpshuis Zeddam|Dorpshuis]] in Zeddam. Toen daar in het Dorpshuis geen plaats meer voor was, zijn ze verhuisd naar Museum Smedekinck, Pluimersdijk 5 te [[Zelhem]]. Daar worden ze wisselend al dan niet getoond. |
| | + | {| |
| | + | |- valign=top |
| | + | |[[Bestand: Bertha Peters poppen. Datum en krant onbekend.jpg|thumb|400px|'''Een ongedateerd artikel over Bertha en haar poppen in een niet nader bekende krant.]] |
| | + | |[[Bestand:Poppen Bertha Gasseling.JPG|thumb|right|250px|'''Een vitrinekast met ongeveer de helft van Bertha's klederdrachtpoppen.]] |
| | + | |[[Bestand: Wandkleed Emmausgangers Pantratiuskerk 's-Heerenberg.jpg|thumb|right|285px|<center>'''''Blijf bij ons, want het wordt avond</center>]] |
| | + | |} |
| | + | Voor de Emmausparochie in Lengel heeft Bertha eens een wandkleed gemaakt met als onderwerp "De Emmausgangers". Dit wandkleed is na de sluiting van de kerk in [[2017]] verhuisd naar de [[Pancratiuskerk]] in 's-Heerenberg, waar het nog steeds te zien is. |
| | | | |
| − | == Opnieuw inkwartiering == | + | == Haar oude dag == |
| − | Na de mislukte slag om [[Arnhem]] kregen we weer inkwartiering. Ongeveer dertig soldaten, waaronder een Oosterijkse ''Feldwebel'' die tevens kok was, eiste de grootste kamer van de boerderij op en daar aten ze en rustten ze uit van het front. Het is ongelofelijk wat ze in die drie weken tijd hebben opgegeten. Uit de Betuwe hadden ze zelf zeven koeien meegenomen. Deze werden allemaal geslacht en alleen het lekkerste werd ervan opgegeten. Uit het toen nog bestaande '[[Rooie Darp]]" kwamen de mensen het slachtafval hier uit de tonnen halen. Onze keuken en het fornuis werden gebruikt en de kok maakte het zo lekker klaar als in een hotel. Met gedekte tafels en al. Alles en alles hadden ze in Arnhem geklauwd. Weckflessen vol met groente, vruchten die die mensen nog gespaard hadden voor de aankomende hongerwinter. Het was iedere dag feest. Bakker [[Hegeman, Josephus Johannes|Joes Hegeman]] moest op een dag twaalf taarten bakken en ik zie de soldaten nog langs ons keukenraam lopen met die taarten op de hand. Op een andere dag stond er weer kip op het menu en hingen er aan alle deurklinken dode kippen om geplukt en klaargemaakt te worden. Een andere dag waren het weer konijnen. Ook hadden ze een eigen geit meegenomen. Die heette Peter en mocht overal lopen. In huis, de slaapkamers, de stallen en in de moestuin waar hij de kopjes van de andijvie opvrat.
| + | [[Bestand: Bertha Gasseling op haar 90e verjaardag.jpg|thumb|right|250px|<center>''' Bertha Gasseling op haar 90e verjaardag in Sydehem</center>]] |
| | + | Rond de tijd van haar pensioen is Bertha samen met Jan in het "Zomerhuisje" bij de boerderij gaan wonen. Na het overlijden van Jan in [[1990]] is ze naar de [[Oude Doetinchemseweg Zeddam-Vinkwijk|Oude Doetinchemseweg]] 30A in Zeddam verhuisd. Hier heeft ze nog goede jaren gehad. |
| | | | |
| − | Op 1 november 1944 (Allerheiligen) stond de deel plotseling vol met Berkel-snijmachines, schilderijen, radio's en lagen er grote tapijten op de vloer die gezogen werden. Alles ging in grote kisten en werd naar ''Frau'' die of die in Duitsland of Oostenrijk gestuurd.
| + | Toen haar gezondheid slechter werd, was een kamer in [[Bejaardencentrum Sydehem]] de oplossing om er nog het beste van te maken. Ook hier heeft ze ondanks haar lichamelijke beperkingen nog een goede tijd meegemaakt. |
| − | | + | <br clear=all/> |
| − | Op een dag waren ze biefstukken aan het braden en de kachel deed het niet naar hun zin. Ze lieten de gesmolten roomboter in het vuur lopen en mijn moeder zei: "Wat doe je nou?" "Dat brandt toch goed", was het antwoord. Wij moesten karnen, maar zij hadden een heel vaatje bij de zuivelfabriek in Zeddam gevorderd, dus ze keken niet zo nauw.
| + | == Bron == |
| − | | + | *Lowie Peters, Zeddam |
| − | In de grote voorkamer zat een glasdeur naar een andere kamer. Daar hadden ze een grote deken voorgehangen. In die kamer ontvingen ze 'bezoek' van meisjes uit 's-Heerenberg. Na de oorlog werden de mensen gevraagd op te geven wat men nog aan spullen van Arnhemmers in huis had. Dan kwamen deze mensen kijken of er nog iets van hen bijzat. Daaraan hebben wij nog dat schilderij overgehouden. Daar is niemand voor gekomen.
| |
| − | | |
| − | == Belgische onderduikers ==
| |
| − | Nadat zij weg waren kregen wij onderduikers, drie Belgische dwangwerkers. Onder het vreselijke bombardement van Solingen waren zij uit het werkkamp gevlucht en de [[grens]] overgekomen onder erbarmelijke omstandigheden. Ze waren terechtgekomen bij [[Pastorie Stokkum|de pastorie]] in [[Stokkum]], maar daar zaten Duitsers. Die hebben blijkbaar niets in de gaten gehad. Van daar zijn ze naar hier toegebracht. Wat kleding hadden zij nog bij zich, die helemaal uitgekookt moest worden, want alles zat onder de vlooien en de luizen. De een heette [[Stas, Gaston|Gaston Stas]] en liep mank, de ander was een grote kerel en heette [[Martini, Victor|Victor Martini]] en de derde was een klein mannetje en heette [[baron Orban de Xivry|Orban de Xivry]] en was een baron. In de schuur was een geheime kamer met drie houten bedden, daar was hun slaapplaats. Ze kwamen in de keuken eten, maar was er onraad dan verdwenen ze met bord en al. Door het andere eten werd de baron ziek en kwam [[Kok, Marinus Joseph|dr. Kok]] uit Zeddam hem behandelen. De man zat van top tot teen onder de zweren, zo erg dat we dachten dat hij wel dood kon gaan. Hij is er toch weer bovenop gekomen en de behandelende bezoeken deed dr. Kok gratis. Na de oorlog is deze baron, samen met zijn vrouw en Gaston nog hier geweest.
| |
| − | | |
| − | Op den duur werkten ze hier gewoon mee op het bedrijf. De twee gezonde mannen gingen zelfs mee naar het land knollen plukken. Maar op een bepaald moment werden wij door de ondergrondse gewaarschuwd (waarschijnlijk [[Verbeek, Johan Mechtildis Maria|meester Verbeek]]) dat we ze ergens anders heen moesten brengen omdat er onraad was. 's Nachts werden ze opgehaald en via de weilanden en over sloten werden ze naar Kempers in Vethuizen gebracht. Daar zijn ze gebleven tot een neef van mij met een priesterstudent, die bij de ondergrondse zat, op een nacht ze verder hebben weggebracht. Helemaal afgedreven tot in de buurt van Keekedingen (?), daar konden ze pas de [[Rijn]] oversteken omdat er op dat moment een bombardement bezig was en de Duitsers geen tijd hadden om de Rijn goed in de gaten te houden, zijn ze uiteindelijk in bevrijd gebied terecht gekomen.
| |
| − | | |
| − | Toen de hongerwinter toesloeg werd er hier actiegevoerd voor de mensen in het [[Kamp Rees|werkkamp Rees]], die daar onder erbarmelijke toestand moesten leven en werken. Er was zelfs nog niet voldoende stro om op te slapen en alles was sterk vervuild. Er werd een beroep gedaan op ons, die alle bonkaarten niet nodig hadden. De toenmalige [[Spruijt, Johannes Hermanus|pastoor van Stokkum]] had contact met dat kamp. Maar er was ook veel gebrek hier aan ondergoed enz. vanwege de strenge winter. Ik ging bij de mensen ophalen wat ze toch konden missen en herstelde dat dan en zo kon het mee naar het kamp. Ook heb ik veel gesmeerde boterhammen opgehaald die de mensen hier konden missen, omdat ze zelf slachtten en brood bakten. Die boterhammen werden dan door de pastoor en een onderwijzeres, mej. Scheers, op de slee naar het kamp Rees gebracht.
| |
| − | | |
| − | == Lengel in de frontlinie ==
| |
| − | In januari [[1945]] vielen er granaten in [[Herwen]] en [[Pannerden]] en kregen wij drie gezinnen als [[evacués]]. Gelukkig waren de Belgen toen net weg. We zaten met ongeveer dertig Hollanders op de boerderij en afwisselend de nodige Duitsers. Ook die soldaten kregen steeds meer gebrek en stalen het spek wat de evacués uit Herwen hadden meegebracht. We zagen ook hoe bang ze waren omdat ze naar het front moesten. Ze dronken zichzelf moed in.
| |
| − | | |
| − | Niet iedereen wilde evacués opnemen. Er zijn er eens een paar voor [[Het Raethuys|het gemeentehuis]] in 's-Heerenberg voor schut gezet. Ze kregen een groot bord op hun buik met: Ik wil geen evacués rijden. Juist bij iemand die wel heel veel daarvoor deed en in de ondergrondse veel goed werk heeft gedaan, Kobus Bus, werd op het laatst alles kapotgeschoten. Bij mensen die geen hand uitstaken bleef echter alles heel en die weigerden materialen als pannen en hout af te geven.
| |
| − | | |
| − | Ook voor schuilkelders moest worden gezorgd. Onder een volle hooiberg werden ze gegraven en in een silo en ook twee kelders onder het voorhuis dienden daarvoor. Wijzelf waren niet zo bang voor de granaten, maar de mensen uit Herwen en Pannerden des te meer. We werden wel wat banger in [[Bergh in de frontlinie|de laatste weken]] van de oorlog toen de bombardementen heviger werden. Er werd ook op alles wat bewoog geschoten. In Vethuizen werd zomaar een paard voor de kar doodgeschoten.
| |
| − | Op de zaterdag dat [[Emmerik]] werd [[Bombardementen op Emmerik|gebombardeerd]] waren we clandestien op onze deel aan het dorsen. De lucht zag helemaal zwart en de weckflessen in de kelders stonden te rinkelen. Toen we naar buiten wilden gaan werden we bijna door de luchtdruk teruggedrukt.
| |
| − | | |
| − | Op een morgen stonden we op en konden de koeien niet meer voeren want de hele deel lag vol met Duitse soldaten, tachtig in totaal. 's Nachts hadden ze achter het huis zwaar geschut opgesteld en prompt kregen wij de volgende dag de eerste granaten. Onder de Duitsers vielen een aantal slachtoffers, waarvan alleen nog maar wat bloedsporen waren te zien. Toen moesten we de twee kelders onder het voorhuis afgeven. Een van de twee kelders stond onder water en daar moest dus een vlonder overheen worden gemaakt anders konden we er zelf niet in bij luchtalarm. In de droge kelder zaten de Duitsers met verbindingsapparatuur en konden wij een beetje meekrijgen hoever [[Canadese bevrijders|de Canadezen]] nog wegwaren.
| |
| − | | |
| − | In maart 1945 vielen er op een stralende zondag een aantal 'verdwaalde' bommen op [[Den Aam]]. Het huisje van de familie Smit (nu "vaders wens") werd getroffen en de [[Smid-de Reus, Theodora Hendrika|moeder]] en haar [[Smid, Theodora Wilhelmina|dochter]] waren op slag dood. Iedere dag kwamen ze hier twee liter melk halen en de moeder was altijd zo bang voor de bombardementen. Net een paar weken voor de [[bevrijding]] komt ze met haar dochter om.
| |
| − | | |
| − | Op het laatst hadden de Duitsers ook niets meer. Ons hele huis en de kelders zaten vol. Op een ochtend komt een Duitse soldaat op de kop de kelder in rollen en commandeert alle Duitsers te vluchten. Paarden werden gevorderd en alles wat maar wielen had, van fietsen, kruiwagens tot kinderwagens, werd gebruikt bij de vlucht.
| |
| − | | |
| − | == De bevrijding == | |
| − | Het werd stil in huis en in de nacht van 31 maart op 1 april hoorde we nog hier en daar wat [[Canadees kanon op de Bleek|geschut]]. 's Ochtends vroeg kropen we voorzichtig uit de kelders en gingen buiten kijken. De grote kamer boven was verlaten. Er lag nog wat kuch en in een pan zat nog wat erwtensoep. Langzaam drong het gerucht door dat we bevrijd waren. De volgende dag zaten de Canadezen in diezelfde kamer met een massa spullen. Dat vonden wij, die een aantal jaren zuinig hadden moeten leven, bijna verkwistend.
| |
| − | | |
| − | Echt uitbundig feest is er eigenlijk niet geweest. Het is misschien gek, maar ik kan me ook meer van de oorlog herinneren dan van de bevrijding. Dat kwam ook wel een beetje door het sterven van [[Kamps, Carolina Gerarda Maria|een meisje]], een dochter van de familie Kamps, evacués uit Afferden in Limburg, die bij mijn latere man in Vethuizen ingekwartierd waren, net een dag eerder. Ze had een infectie onder een van haar nagels en toen dr. Kok dat weg wilde halen is ze plotseling gestorven. Op de dag van de bevrijding is ze begraven op het kerkhof van Zeddam. Wij zijn daar ook naar toe geweest. Later hebben haar ouders haar over laten brengen naar Limburg, waar ze vandaan kwamen.
| |
| − | | |
| − | Er is niet veel gebeurd met de NSB'ers hier in Lengel. Er deden wel veel geruchten de ronde van mensen die waren opgepakt en gevangengezet waren op de Kruisberg in [[Doetinchem]]. In Zeddam is nog wel een NSB'er, Berendsen, die zich verstopt had op een hooizolder, doodgeschoten. Anderen, als Giezen (de Bloem) of Meier werden niet duidelijk gezien als NSB'ers en bleven in vrijheid. Meier, de buurman van Frans Meier, had veel grond aan 'de gunne kant' en familie en die was altijd aan het schipperen geweest.
| |
| − | | |
| − | Er kwam een wet dat NSB-boeren, die zelf een tijd gevangen werden gezet op de Kruisberg in Doetinchem, vervangen moesten worden door bedrijfsleiders. Jan Peters, de man waarmee ik een jaar na de oorlog ben getrouwd, werd zo bedrijfsleider op de boerderij van Frans Meier, de Koppelpaarden. Daar trof hij een grote armoede aan. Ze hadden niets meer. Ondanks de Duitsgezindheid heeft Frans ook veel Hollanders geholpen. Ook op de [[Klomp (Lengel)|boederij/café van de Sliep]] (Sliepenbeek), de broer van de burgemeester van Bergh tijdens de oorlog, kwam een bedrijfsleider. Dat werd ze echter niet in dank afgenomen door de voormalige Duitsgezinden en hun familie. Na verloop van tijd zijn echter de boeren weer op hun eigen boerderij teruggekeerd.
| |
| − | | |
| − | Lange tijd is alles nog op de bon geweest. Toen mijn man en ik in [[1946]] gingen trouwen moesten we alles organiseren. Er werd clandestien geslacht, met de gespaarde suikerbonnen werd er een drankje 'citroenschilletje' gekocht wat toen 'in' was. Via een broer kwamen we aan Grolsch bier en we maakten bowl van eigen fruit en familie uit [[Didam]] had zelfgebrouwde jenever meegenomen. Daar zijn ze trouwens nog aardig ziek van geweest.
| |
| − | | |
| − | Doordat we te eten hadden, niemand van ons is gesneuveld zijn we de oorlog redelijk goed doorgekomen. Eigenlijk was het voor ons jongeren nog best een spannende en afwisselende tijd. Altijd gebeurde er wel iets. De evacués namen ook nog wel werk uit handen zodat ik andere dingen kon gaan doen. We konden veel mensen helpen en er was een zekere saamhorigheid, die na de oorlog weer grotendeels verdween. We hechtten veel minder waarde aan de dingen.
| |
| | | | |
| − | [[Categorie:Peeters en Peters]] [[Categorie:Oorlogsherinneringen Lengel]] | + | [[Categorie:Peeters en Peters]] [[Categorie:Begraafplaats RK kerk Zeddam]] |
De jonge Bertha Gasseling
De bruiloft van Bertha Gasseling en Jan Peters op 25 juni 1946. De bruids- meisjes zijn Ans, Betsie en Thea Veenes.
Korte Levensloop
'Elisabeth Maria (Bertha) Gasseling was boerin op boerderij Goedborg in Lengel. Zij werd op 20 april 1920 geboren in het Wehlse Broek (parochie Kilder) als negende en jongste kind van Franciscus Gasseling en Maria Elisabeth Maria Loeters. Haar vader was bakker en molenaar.
Zij bezocht aanvankelijk de lagere school in Kilder, maar toen haar vader door de intense omgang met meel stoflongen kreeg en gedwongen was zijn bedrijf te verkopen, verhuisde het gezin naar de Goedborg in Lengel. Bertha was toen negen jaar. Ze ging nu naar de meisjesschool in Zeddam en aansluitend naar de Landbouw-Huishoudschool, ook in Zeddam.
Op 20 juni 1946 trouwde zij met Johannes Josephus (Jan) Peters, geboren op 26 januari 1917 op boerderij De Horst in Vethuizen als vierde kind van Wilhelmus Henricus Peters en Theodora Johanna Bles. Het huwelijksfeest werd gevierd op de Goedborg, die tevens hun woonadres werd. Het bruiloft werd gevierd met beperkte middelen. Zo net na de oorlog waren er nog veel levensmiddelen op de bon. Met clandestien slachten, gespaarde voedselbonnen en improvisatie was er toch voldoende om een groot feest te vieren.
Er werden elf kinderen geboren; negen jongens en twee meisjes. Twee jongens zijn al kort na de geboorte overleden. Op 12 februari 1981 is haar jongste zoon Paul op 20-jarige leeftijd overleden ten gevolge van een tragisch verkeersongeluk. Op weg naar de HTS in Arnhem ging het mis ten gevolge van gladheid op de weg. Dit was een grote schok en is nooit vergeten.
Bertha overleed in Zeddam op 8 juli 2012, 92 jaar oud, en werd begraven op de r.-k. begraafplaats in Zeddam. Zij deelt haar graf met haar man, die op 25 augustus 1990 al in Lengel was overleden, 73 jaar oud.
Het dagelijkse leven
Bertha was drie jaar oud toen haar moeder stierf. Dit is altijd een pijnlijke herinnering gebleven. Anderhalf jaar later hertrouwde haar vader met Johanna Gerarda Mulder, geboren in Herwen op 20 juli 1880 als dochter van Petrus Gerardus Patricus Mulder en Johanna Gesina Pouwels. Uit dit huwelijk werden geen kinderen geboren. De relatie met haar stiefmoeder was goed, maar het gemis van haar biologische moeder is altijd aanwezig gebleven.
Bertha was er als jongste van negen kinderen aan gewend dat het thuis druk was. Op de boerderij was er altijd volop bedrijvigheid. Als dochter van een veehouder die ook zakenman was, wist zij hoe een bedrijf gerund diende te worden. Het werk omvatte de verzorging van de koeien, varkens, kippen, paarden, het land, de boomgaard, de groente- en siertuin.
Dan was er nog de zorg voor haar vader, haar stiefmoeder en haar snelgroeiende gezin. Tussendoor was er altijd nog tijd en plaats voor logees van broers, zussen en verdere familie. Haar broer Theet heeft nog een tijd met zijn gezin op de Goedborg ingewoond in afwachting van zijn emigratie naar Frankrijk. Nadat hij zich daar gevestigd had, kwam hij soms logeren met zijn vrouw en enkele kinderen. Ook broer en pater Gerrit kwam regelmatig logeren en vakantie houden. Dit werd als een eer beschouwd en daar was dan veel aandacht voor. Ook haar zussen Willemien en Thea, die beiden non waren geworden, kwamen in hun vakanties logeren. Kortom, het was vaak druk maar tegelijk ook gezellig.
Toen de kinderen nog jong waren werden er practicanten van huishoudopleidingen ingeschakeld. Die werden dan ook langdurig in het gezin opgenomen. Gelukkig was het huis groot genoeg voor al die mensen.
Bertha steunde haar man in alles. De zorg voor het gezin, de kerkelijke verplichtingen, het werk op de boerderij, de familiebezoeken over en weer en nog veel meer. Voor het werk op de boerderij heeft ze eens het diploma "Handmelken" behaald.
Vanaf 1967, toen de noodkerk van de Emmausparochie in Lengel in gebruik werd genomen, was Bertha lid van het gemengde kerkkoor, het Emmauskoor. Hier heeft ze meer dan veertig jaar met plezier gezongen.
Rond haar 60e jaar deed ze bewust een stapje terug van het werk op de boerderij en ging ze meer dingen doen voor "haarzelf". Al eerder, begin jaren zeventig, heeft zij een welfarecursus van het Rode Kruis gevolgd. Daarna was zij jarenlang als welfarewerkster elke dinsdagmiddag in bejaardenhuis Sint-Gertrudis in 's-Heerenberg om de bewoners te helpen met handwerken. Dit was voor haar een wekelijks uitje, dat ze tot op hoge leeftijd heeft gedaan. Op het laatst was ze als lesgever vaak ouder dan de bejaarde leerlingen. Op 11 maart 2002 kreeg zij voor dit werk een onderscheiding van het Rode Kruis voor dertig jaar trouwe dienst.
Op 18 december 1994 heeft Bertha in een interview met de Heemkundekring Bergh over haar oorlogsherinneringen verteld.
Haar poppen
Bertha heeft thuis een zestigtal poppen aangekleed in verschillende regionale klederdrachten, meest Nederlandse maar ook een zestal uit het Münsterland. Alle kleding heeft ze zelf gemaakt en zo nauwkeurig mogelijk nagebootst van tekeningen en foto's. Thuis was voor deze poppen een vitrinekast gemaakt. Met trots liet ze aan alle visite zien wat ze gemaakt had. Ze vertelde dan steeds hoe het gemaakt was en waarom zus en niet zo.
Tientallen keren werd een deel van de poppen ingeladen, omdat Bertha een voordracht ging geven over haar poppen, of omdat haar poppen werden tentoongesteld. Zo was een aantal van haar poppen te zien in de bibliotheek in 's-Heerenberg en in de Rosmolen in Zeddam (7 en 8 mei 1988), maar ook verder weg in het provinciehuis in Arnhem en zelfs in het Belgische Brugge, waar het kant dat zij gebruikte vandaan kwam.
Met haar poppen heeft Bertha regelmatig de lokale en regionale kranten gehaald. Al haar poppen zijn na haar overlijden in 2012 een aantal jaren tentoongesteld geweest in het Dorpshuis in Zeddam. Toen daar in het Dorpshuis geen plaats meer voor was, zijn ze verhuisd naar Museum Smedekinck, Pluimersdijk 5 te Zelhem. Daar worden ze wisselend al dan niet getoond.
Een ongedateerd artikel over Bertha en haar poppen in een niet nader bekende krant.
|
Een vitrinekast met ongeveer de helft van Bertha's klederdrachtpoppen.
|
Blijf bij ons, want het wordt avond
|
Voor de Emmausparochie in Lengel heeft Bertha eens een wandkleed gemaakt met als onderwerp "De Emmausgangers". Dit wandkleed is na de sluiting van de kerk in 2017 verhuisd naar de Pancratiuskerk in 's-Heerenberg, waar het nog steeds te zien is.
Haar oude dag
Bertha Gasseling op haar 90e verjaardag in Sydehem
Rond de tijd van haar pensioen is Bertha samen met Jan in het "Zomerhuisje" bij de boerderij gaan wonen. Na het overlijden van Jan in 1990 is ze naar de Oude Doetinchemseweg 30A in Zeddam verhuisd. Hier heeft ze nog goede jaren gehad.
Toen haar gezondheid slechter werd, was een kamer in Bejaardencentrum Sydehem de oplossing om er nog het beste van te maken. Ook hier heeft ze ondanks haar lichamelijke beperkingen nog een goede tijd meegemaakt.
Bron